Brug(gen)

Rainbow’s End

Zoek materiaal een brug te slaan
een brug die oost en west verbindt
het noorden aan het zuiden bindt
waarover alle mensen in vrede gaan.

Moet het een brug zijn van steen
dan wel van staal en beton
met overkapping tegen regen of zon
bekleed met goud en edelsteen?

Ik heb een andere brug voor ’t oog
één die schittert in vele kleuren
van horizon tot horizon één boog
één, die verbindt alle deuren.

Aarde


Aarde, wat heb je meegemaakt?
Wat is in alle eeuwen gebeurd?
Aarde, wat is het dat je raakt?
Waardoor ben zo je verscheurd?
Aarde, wat is je droefenis?
Wie heeft jou dit toch aangedaan?
Aarde, wat is je grote gemis?
Wat het leed waarvoor we nu staan?
Aarde, waarom ben je zo moe?
Welke strijd moet je nog strijden?
Aarde, waar ga je nu naar toe?
Wat moet je allemaal nog lijden?

Aarde, het is niet je einde!
Er is nog toekomst ook voor jou!
Geen duister waarin je kwijnde!
Richt je op in je Scheppers trouw!
Aarde, elke hoop gaat nog door!
Er blijft nog blijdschap gloren!
Aarde, wees niet bang en blind!
Nog steeds blijft het lied te horen,
van jouw redding, door het Kind,
bezongen door de engelenkoren!
Aarde, niemand die jou bindt
in nacht, zonder ochtendgloren!

Nog winter


Als de aarde in volgend seizoen ontwaakt
Hoop ook ik uit mijn slaap te rijzen
Tussen tere groene spruiten die op warmte wijzen
En luide vogelzang die ieders harte raakt

Als dan straks bloemen uit hun kelken ontluiken
En linde, beuk en eik weer staan in blad
Hebben we eindelijk kou en narigheid gehad
Dan siert de bloesem weeld’rig weer de struiken

Ik verlang weer naar de lammeren in de weide
Het groene gras, het golvend rijpend graan
Op de hei zie ik al de herder met zijn kudde gaan
Zijn trouwe hond als immer hem terzijde

Maar nog ligt de aarde helaas in diepe slaap
En aan de hemel een waterig winterzonnetje
Met niet meer licht dan een lampionnetje
En ook ik val terug in mijn winterslaap.

Wonderlijk schoon


Ergens is een paradijs op aarde
Zo vol van schoonheid en natuur
Mensen daar erkennen de waarde
Van een leven rustig en zo puur

Altijd hebben wij dat paradijs gezocht
’t Is niet hemels, ’t is veel dichterbij,
Wie ’t zoekt wordt nooit bekocht
Daar geniet een ieder, daar is elk blij

Daar vind je de blankste stranden
Ruist frisse bries door groene woud
Is de natuur in goede handen
Daar iedereen daar van houdt

Frustratie


Zoveel idealen zijn verloren
Zoveel dromen zijn niet echt
Zoveel klachten blijft men horen
Omdat men alleen denkt in eigen recht

Zoveel mensen zijn verstoten
Door een grote meerderheid
Die hen zonder reden heeft uitgesloten
Tot concessies niet is bereid

Weg zijn de idealen en de dromen
Weggehoond als dom en rariteit
Zal men ooit tot geluk eens komen
Door erkenning van persoonlijkheid.