Stilte vol zang


Luister stilte, naar het ruisen van de wind
Luister naar het briesje
Dat zacht het riet golft langs de oever
En hoor het antwoord
In de lach van een kind

Luister stilte, naar de zang der vogels
Naar de blijdschap die daarin klinkt
Ver verheven boven aards kabaal
Klinkt welluidend vogelzang
Van de merel en de vink
En boven dit al de schone zang der nachtegaal

Lucht, ruimte… adem


Buiten in het vrije veld
Kan ik slechts leven
In steden vol lawaai en geweld
Duurt elk plezier voor mij slechts even
Benauwd door chemie en uitlaatgas
Tussen beklemmende sombere muren

Ik geniet slechts van blauwe lucht
En smaragdgroen gras
Zie de vogels zweven in het blauwe zwerk
Hoor ze zingen in de kruinen der bomen
Hier kan gelukkig het stadslawaai niet komen
Kan ik rustig in de groene bermen dromen.

Heen en weer en weer terug


Bij struinen door struiken en bomen
geef dan maar je ogen goed de kost
evenals veel afval zwaar bemost
door natuur worden overgenomen
zaken die dagelijks op je af komen
je kunt er niet aan ontkomen
al je sores voel je van je stromen
van zorg en beslommering verlost
struinend door struiken en bomen
geef je ogen eens goed de kost
jezelf alleen maar opzitten fokken
blijf niet binnen zitten mokken
dat natuur verpauperd en vervuild
kom niet zo snel tot die conclusie

Ode aan de rode roos


Gewoon een rode roos zegt zoveel woorden
een schone bloem ontsproten uit goede grond
geschenk waar hart of gevoel geen uiting vond
maar toch zo menig mens in liefde bekoorden.

Een brug van hart tot hart, jij vormt de band
gesmeed voor liefde, passie vol verlangen
wat geld noch goud nooit één keer kan vervangen
je bent een liefdesgift voor d’ hoge stand

Je bloem een droom, je kleur is als robijn,
in tuinen sta je fleurig boeiend aan struiken
als geurige ruiker in warme zonneschijn

een weldaad in elke hoek je geur te ruiken.
Nogal geprikkeld ben je van je aard
je doornen hebben menig vrijer bezwaard.

Nevel over de heide


Na duister in het prille ochtendgloren
als stilte van de nacht nog hoorbaar klinkt
schuchter in naaldhout de eerste vogel zingt
geen menselijke verstoring is te horen

vormt zich als sluier de nevel over ’t veld
stil verhullend wat zich afspeelt op de heide
als verhelderend licht het zicht verspreidde
en ieder door het schouwspel staat versteld

als droom ziet men een roedel herten zweven
over lage nevels met hun machtige gewei,
ziet men de ruggen van de wilde zwijnen,

net één tapijt met fijne draad geweven
slechts hier en daar ontwaart men reeds de hei
wat gaat verloren als dit zou verdwijnen?

Nieuwe wildernis


Ooit zijn oude bomen gerooid
geen ruimte meer voor nieuw
het terrein nog kaal en dor
ontkleed van koele schaduw
slechts hier en daar verdroogde struik
waarmee geen dier kan voeden

was eens het terrein een lust
rijk aan groen en gebladerte
nergens is meer serene rust
dood waart over velden
waar geen wildernis meer heerst
omdat mensen de wetten stelden.

Gewekt door duiven


Te vroeg drong licht
door gordijn
en raam
werd ik
uit mijn slaap verstoord
vroeg mij af
wat ik had gehoord.

Schone dag
beloofde licht
vrolijk en
vol zonneschijn
een feest op zich
maar welk geluid
zou dat nou zijn?

Buiten was de natuur
vol muziek en zang
met kleuren grandioos
vreugd van jong leven
als dansende lammeren
en op mijn dak dát geluid
door wekkende duiven.

Zonnedag


Ken het rijzen en dalen
van de zon
met opgloeiend laaien
verduisteren van horizon
kleuren van oranje
tot diep rood.

Ken het genot
van vroege ochtend
velden onder dekens
van slingers nevel
of bestrooid met parelen
van helderste dauw.

Geniet de vogelzang
in groene lover
in ochtend en middaguur
tot de zon ter kim gaat dalen
en de horizon
weer kleurt in ’t rood.

Zicht op de IJssel


Vanaf de dijk zie ik de rivier stromen
meanderend door landelijk decor
kolkend water woest niet in te tomen
het dankbaar onderwerp voor een retor
schets dit beeld als schilderij in woorden
waarin men langs het water koeien ziet
neem de hoorder mee naar verre oorden
en teken nevelige horizon in verschiet.

Bruisend stroomt het water tussen weiden
al maar verder tot de einder van het zicht
waar de landerijen in nevel verglijden
niet meer helder beschenen door zonnelicht
voeren schepen naar hun bestemming toe
stroom op ofwel stroom afwaarts gaan
dit schouwspel genietend word ik nooit moe
en blijf ik dikwijls op de dijk daar staan.

Winterwandeling


Strak en rimpelloos licht nu de vlakte
waar golfjes kabbelden weleer
zilveren vissen sprongen over oppervlakte
rietkraag golfde langs oevers van ’t meer.

Bewegingloos staan nu de populieren
in rijen langs de waterkant
terwijl hun witte kruinen sieren
stille contouren van het achterland.

De velden met witte deken toegedekt
in serene zonnegloed gehuld
tot aan de horizon uitgestrekt
als blinkend decor verguld.

Gedachteloos loop ik door het veld
genietend van heel de natuur
verder niets dat voor mij telt
als deze schoonheid fris en puur.

Wintercharme


Hoe stil ligt nu wateroppervlak
verstijfd als dood geboren
geen rimpeling maar vlak en strak
spiegelend kou bij zonnegloren
langs oevers het geknakte riet
als met een poederlaag bestoven
wat decoratieve schoonheid biedt
in natuurlijk gebonden schoven

daarboven door azuren blauwe lucht
een enkele wolk als donzen vlek
afgewisseld met een vogelvlucht
van wilde ganzen op hun trek
stil en verlaten ligt nu het veld
de wereld lijkt wel uitgestorven.

Vroege voorjaarsavond


Ruisend richt weer het riet zich op
golvend met donzige pluimen
onder strelend zachte avondbries
langs vriendelijk rimpelend water.

Stil genietend zit ik aan de kant
zie als schepen met bolle zeilen
wolken drijven op het watervlak
omrand met purperen avondrood.

En statig drijft een witte zwaan
geruisloos langs de andere oever
langzaamaan zie ik weer kleur
na doodsheid van de dorre winter.

Voor dag en dauw


Met gouden kralen duizendvoudig
spreidt zich het licht vanaf de horizon
over zilveren nog uitgestorven velden
en door de wouden klinkt haar stem
in zachte welluidende klanken.

Takken en twijgen met edelsteen behangen
schitteren bij het vorderen der dag
zacht wiegend op de wind als klokken
nog slaapt de wereld gans onwetend
wat ik begin van deze dag weer zag.

Vanaf de dijk


Zacht zingt het riet zijn avondzang
als ik loom aan de dijk rust
tegen een boom turend over de stroom
luisterend naar ’t vredig ruisen
en de enerverende zang van de karekiet.

Hoog klinkt het mauwen van de buizerd
zwevend als een stip aan blauwe lucht
door de polder hoor je roep van grutto
terwijl de kievit zijn naam scandeert
blijf ik toch gefascineerd door ’t riet.