
Het vreemdste wezen dat ik ken
is wel de mens in mijn ogen
alhoewel ik er zelf ook één ben
al heb ik moeite elk te gedogen.
In hun aart zijn ze niet zo slecht
ook ikzelf maak wel een slipper
’t gaat niet altijd krom, ook wel eens recht
niet elke roeiboot is een klipper.
Is de ene mens goedheid in eigen persoon
de ander zou je op willen leren schieten
vind je bij de één iets heel gewoon
een ander zou je achter behang willen nieten.
Toch hebben wij elkaar allemaal nodig
en zitten we, zo nu en dan, flink in de puree
dan blijkt geen enkel mens overbodig
en zeggen we bij hulpaanbod, tegen niemand nee.














