
Ik lag in diepe slaap
genietend van zachte rust
toen kwam er iemand
die heeft mij o zo teder
wakker gekust
ik opende mijn ogen
en wist niet wat ik zag
een schoon lief gezicht
met stralende lach.
Ik vroeg; “Bent u de engel
die mij in ’t holst der nacht
komt halen?”
ze glimlachte en zei “Nee,
ik kom je alleen maar wekken,
de nacht is al zolang voorbij
de nacht moet je niet rekken.
Ik ga de dag is nog zo jong.”
Haar gezicht verdween.
Tussen de kieren van ’t gordijn
schenen de warme stralen
van de lentezon.














