Schrijvende en oordelende goden


Gelukkig ben ik geen god op een forum
Ik schrijf maar zo voor ’t vaderland weg
Let ook niet op wat ik schrijf of zeg
’t Is mijn mening summa summarum

Neuh, ik schrijf maar voor m’n lol
En wat ik schrijf mag geen naam hebben
Laat ’t maar bezinken en wegebben
Om ’t serieus te nemen is te dol

Maar er zijn dan ook vele vrije goden
Die schrijven met stijlvolle pen
En zeggen dat ik maar een prutser ben
Die mij ’t liefst met hun verzen willen doden.

Sprakeloos begin


Traag breekt schemer door ochtendnevel
hemel kleurt reeds rood in morgenlicht
steeds duidelijker tekenen zich contouren
vormt zonneschijn langzaam vergezicht

vanuit de stroom stijgen nog de dampen
waarboven sierlijke witte vogels zweven
ontwaart men langs oever pluimen riet
zo’n ochtend beleeft men het mooiste leven

aan elke twijg van wilgen of van populier
glinstert een druppel helder als een diamant
en over het veld zijn parelen gezaaid
langzaam staat heel de horizon in brand.

Ochtendstond


Wanneer duister langzaam wijkt voor ochtendgloren
en aan de kim weer het glanzend schemerlicht
een door de natuur gezongen minnedicht
in bossen, op hei en in velden te horen

Hemel vol wolken omzoomd met gouden randen
doorkruist met stralen van zuiver zonneschijn
een stil genieten als van een goed glas wijn
wei omgeven door bossen als groene wanden

Nieuw ontluikende dag, mens en dier ontwaken
in kleurenpracht en luide ontmoetingsklank
’t veld getooid met bloem om alles te volmaken

Stilte van de nacht doorbroken door klokkenklank
‘k Verlaat mijn bed waar ik warmte in vond
sta bibberend in de koude ochtendstond.