
Na weelderig zonlicht,
voor ’t komend duister,
sudderend in ’t zicht,
tussen rumoer en luister.
Als is ’t, die dag,
de gulden onderkant,
van ’t verslag,
dat vaag verzandt.
Zachte mijmering,
lichte melancholie,
een herinnering,
aan schone melodie.
Nog niet ’t eind,
niet ’t begin,
de dag verkleint
en sluimert zachtjes in.

