Schemer


Na weelderig zonlicht,
voor ’t komend duister,
sudderend in ’t zicht,
tussen rumoer en luister.

Als is ’t, die dag,
de gulden onderkant,
van ’t verslag,
dat vaag verzandt.

Zachte mijmering,
lichte melancholie,
een herinnering,
aan schone melodie.

Nog niet ’t eind,
niet ’t begin,
de dag verkleint
en sluimert zachtjes in.

Levensdoornen


Het leven is goed ik heb geen klagen
geen mens die mij pijnigt of kwelt
mijn ongemak is wel om te dragen
ook ik doe geen mens geweld.

Mijn leven kabbelt dagelijks verder
van dag tot dag in sleur en toon
mijn vertrouwen is slechts mijn Herder
ik ben mens als ieder, heel gewoon.

Vanwaar toch steeds die pijn
die in mijn hart steeds heerst
kan ik niet als anderen zijn
voelt mijn geluk zo onbeheerst?

Ben ik minder geschapen dan mijn medemens?
Heb ik voor verdriet gekozen?
Slechts rust, vrede en geluk is mijn wens.
Ik aanvaard ook echt wel doornen naast de rozen.