Plat zijn de kruinen van de bomen
takken strak vierkant of rond
de schors is glad en verticaal
in nissen achter spiegelglas
bloemen in steeds eendere vorm
die nooit hun blad verliezen.
De hemel strak blauw geschilderd
met strepen zonlicht achter elkaar
vogelzang uit vele kastjes
en tussen kroost hangt een vis,
ergens ver buiten deze wereld,
schijnt men te leven van verse lucht.
De zeeën zijn niet steeds oases van rust
Of vlak van horizon tot horizon
En glanzend licht in stralen der zon
Waar witte vogels zweven van kust tot kust
Niet immer kab’len vriend’lijk golfjes teer
Alwaar ze zacht het blanke strand ontmoeten
En Hollands schone duinen begroeten
Bij storm gaan ze dikwijls razend te keer
Mijn geest dikwijls ook wisselvallig als de zee
Niet altijd vriend’lijk als de zonnestralen
Soms voel ik ongemak en ach en wee
Mijn dagen verlopen dan met pieken en dalen
Ach, ieder mens kent stormen in ’t leven
Alléén vreugd en gein is niemand gegeven.
Niet in ’t holst van de nacht
maar op het midden van de dag
heb ik de dood ontmoet
hij knikte bij wijze van groet
en is toen weer doorgegaan.
Toen hij was doorgelopen
heb ik niet omgezien waar hij was gebleven
waarheen hij ging was mij om ’t even
hij kon zijn eigen weg wel vinden
uiteindelijk leidt ook hij z’n eigen leven.
Ik strek mijn handen uit
telkens tast ik in het duister
je bent hier, gaat mij voorbij
terwijl ik jou passeer
’t mysterie van ‘t wezenloze
verloop van komen, zijn en gaan
regelgeving van licht en donker
draaiing in een levensloop
spiegeling van wat geweest is
duisternis naar wat komt
brandpunt van het zijn
maar terwijl ik jou passeer
ga jij mij steeds weer voorbij.
Waar wijst die belerende vinger heen
waarop die dreigende blik gericht
hoe blond het haar zoals voorheen
dat stond boven elk doodsbericht
de schuldige wijst hij in zijn ogen aan
met één vinger, drie naar zichzelf,
wie niet zijn mening deelt moet gaan
z’n toespraak past in de “Raad van Elf”
geen woorden maar daden is zijn leus
maar voegt niet de daad bij ’t woord
“Kom, Geertje meen je wat je zegt nu heus?”
waar jij naar toestuurt is puur moord.
Door helder licht
sluipen donkere lijnen
verschil tussen goed en kwaad
willen het goede verdrijven
en eigen ruimte creëren
door verduistering van paden
waar wij langs moeten reizen
tot geen verschil meer is
tussen licht en donker weten
waar paden nog lopen
hindernissen ons gaan belet
in gebrek aan lichtende oriëntatie
leiden nieuw gevormde lijnen
door voortgaand woord
lijnen vervagend in licht
naar brede begaanbare banen
waar geen hindernis stoort
duister geen zicht belemmert
maar goede lijkt te winnen
tot door sluipend lijnenspel
levenspel opnieuw zal beginnen.
Zoek de lijnen in mijn wezen
tussen bermen van mijn levensweg
waar de vragen zijn gerezen
en waar ik mijn zorgen leg
midden tussen vers geploegde voren
voor een oogst van overvloed
vind ik slechts verlopen sporen
waar geen ziel zich nog mee voedt
over platgetreden brakke akker
eens zo rijk van graan voorzien
groeit het zaad van een volksverlakker
niemand heeft zijn list doorzien
kwistig strooit hij het onkruid
tussen alle vrijheid en vervlakkend apel
zodat men soevereiniteit verbruid
uit ervaring van jaren weten we nu wel,
zoek de lijnen in mijn wezen
maar als individu ben je niet in tel.