Één van de vlindertjes en bijtjes


Die ene zag ik pas nog tussen de bloemen
Waarmee ik jou ooit heb vergeleken
Zo één, zo ik jou zou willen noemen
Schoonheid, die harten kan breken

In kleur en élégance doe jij echt niet onder,
In charme en in lieftalligheid
Jij blijft voor mij nog steeds dat hemelswonder
Door elke vrouw in stilte benijd

Je bent m’n bloem, m’n schone vlinder
Jij valt iedereen gelijk in ‘t oog
Van hoogmoed heb je echt geen hinder
Je bent mijn wonderschone dagpauwoog.

Na m’n pensioen


Ik hoef niet meer zo erg nodig
Te gaan in snelle passen der jeugd
Dat haasten is mij overbodig
Slechts rust en kalmte is mijn deugd

Mijn actie is een statisch voortgaan
In bewegende belangstelling
Al glijd ik ook op langzame baan
Naar nauwelijks merkbare verandering

Ik moet nu niet zoveel meer
Ik kan op voldoende ervaring bogen
En ’t kost me geen verweer
Niets te moeten, des te meer te mogen.