Schepping of noodlot


Altijd en overal is er begin en end
Al willen wij dat nog wel ontkennen
Het is het gevoel dat het niet went
Ook ons eigen eind te erkennen

Maar weten we niet van het begin
En kunnen het eind niet bepalen
Dan zijn we stuurloos tussenin
En kan het resultaat slechts falen

Dan zijn we schepen in een storm
Willoos, zonder veilige haven
Op koers zonder enkele vaste vorm
Die zich aan noodlot overgaven.

Is er dan geen begin of end
Wie zal de ontwerper wezen
Die alle geheimen van het leven kent
En van de aarde uit niets verrezen.

Ontwikkeling


Langzaam gaat het leven voorwaarts
Stap voor stap
over al dan niet gebaande paan
Wat gisteren nog nieuw was
Is reeds vandaag herinnering
En de vraag is waar wij morgen gaan

’t Leven is een trage ontwikkeling
Van vele eeuwen rij aan rij
Waarin geschiedenis wordt geschreven
En zoekt steeds naar de balans
Die ons uiteindelijk door hoger hand
Tot na de dood wordt gegeven.

Leven met Yin-Yang


Waar vindt men vrede
Als men niet weet
Wat werkelijk vrede is
Met zichzelf
Geen vrede heeft gesloten
Doch met onrust
In wrevel ontsproten
In zichzelf gevangen is

Men leeft als yin en yang
Zonder inzicht of keuze
Slechts eigen belang
Zonder rechtgeaarde leuze
’t Zij links of rechts
Geen liefde ingesloten
Blijft de mens steeds bang
Geen leven ooit genoten

Vrij in de ruimte


Mijn gedachten zweven door ’t universum
En kennen niet de echo van ’t terug
Maar blijven in eigen vormen
In het zijn van het compacte denken
Wachtend op verklaring en antwoorden
Geen oplossingen van vragen
Maar het weten van de zekerheid
Waarvoor geen enkel mens
Verantwoording kan dragen.

Moeite van het zoeken waard


Een tuin vol licht en kleuren
bloemen vogels en veel meer
heldere beken rozengeuren
overal vlinders bont en teer

zachte bries tussen hoge bomen
melodieën uit vele vogelkelen
schaduw om tot rust te komen
engelen die op harpen spelen

maar bovenal een zacht geluid
als wind dat met bladeren speelt
en klinkt als lieflijk stemgeluid
dat diep geheim met ons deelt

zie hier mensenkind het paradijs
voel warmte liefde en genade
kom, ga dan hierheen op reis
omdat Hij u in gunst aanvaarde.

Zoektocht naar vrede


De volken bedreigen elkaar met dood en hel
Vrede wordt in de kiem dikwijls gesmoord
Een mensenleven is bijna niet meer in tel
In vele landen worden angstkreten gehoord

In ’t menselijk hart leeft geen liefde meer
Geen waardering, eerbied of respect
Men streeft naar eigen gewin, roem en eer
En vraagt niet of het iemand anders nekt.

Toch zoekt de Liefde nog steeds het hart
Nog nimmer heeft Hij opgegeven
Voor redding leed Hij pijn en smart
Om ons in rust en vrede te laten leven.

Daarom bedreigen nog steeds volken elkaar
Omdat zij de ware liefde niet kennen
Want waar geen ware liefde is daar is ’t waar
Wij nooit aan iemands daden wennen.

Als het lied der vogels


Ik hoorde hem zingen in hoge bomen
Op hoge toon een lied van lof en eer
Als een lied van engelen in mijn dromen
Een dankbetuiging aan de Heer

Zo zuiver heeft zelden een lied geklonken
Zo helder duidelijk en toch zo teer
Van vroege morgen tot de sterren blonken
En vroeg de volgende dag was hij er weer

Ach kon ik zingen met zijn passie
Mij uiten zo hij dagelijks deed
Zo vol overgave en vol actie
Laten horen dat ik van Zijn liefde weet.

Korte en eeuwige weg


De korte weg van het leven
Een pad om moeilijk te gaan
Lijkt lang al is ’t slechts even
Voor wij aan het einde staan

Wij zien hier slechts de horizon
Het eind van alle zicht
Maar niet dat daar voor ons begon
Het eeuwig durend vredeslicht

Daar ligt de eindeloze levensweg
Daar ligt het eeuwige begin
Waar ik mijn lot in Zijn handen leg
Ga met Hem Zijn koninkrijk in.

Keuze voor envoudig of moeilijk


Hoe eenvoudig is het stenen te werpen
Naar hen die weerloos zijn
Die machteloos slechts vrede wensen
Die wars zijn van spot en venijn

Hoe eenvoudig schuld te schuiven
Op schouders zwak en smal
Eigen verantwoording weg te wuiven
En brengen zwakkeren ten val

Hoe moeilijk moet het voor ons wezen
Iedere naaste te dienen als onszelf
Zo wij als levensopdracht voor ons lezen
Dan daalt vrede onder ’t hemelgewelf.

Gevoelig


Hoorbaar is de stilte
de mond die zwijgt
het hart dat koud is
de steen in je hand

stil zijn gedachten
die pijn herdenken
gevangen in de tijd
duister als nachten

pijnlijk zijn woorden
schreeuwend om begrip
een hand die redding vraagt
een mens hopeloos verloren.

Dakloze


Zwaar klinken de slagen ter middernachtelijk uur
Over ’t verlaten plein, door lege donkere straten
En in de stilte weergalmt de echo van muur tot muur
En in regen ondergaat de stad ’t duister gelaten

Lopend in het donker mis ik sterren en maan
Kijk slechts somber naar ’t glimmende wegdek
In zwarte etalages kijk ik slechts mijzelf aan
Verder is er geen mens geen hond die ik ontdek

Zo loop ik hier diep in mijn kraag en weer en wind
Zwelgend in zelfbeklag en zwaar medelijden
Omdat ik in heel de stad nergens warmte vind

En kan alleen maar mensen bij de haard benijden
De klokken zwijgen en de stad is uitgestorven
En nog geruime tijd heb ik doelloos gezworven

Claustrofobisch angstbeeld


De nacht is duister en diep
En spaarzaam schijnen lantarens
In de mistige natte steeg
Waar ik diep in mijn kraag verscholen
Over ’t glanzend nat plaveisel ga

Troosteloos staren donker ramen
Als koolzwarte niets ziende ogen
Gevat in gevels als kale doodskoppen
Mij angstwekkend luguber aan
En ik heb geen wens dan deze
Doodse stad zo snel mogelijk te verlaten.

Twintig eeuwen respijt


Hoelang smeekt de aarde reeds om vrede
Om een God die enkel liefde is
En nog steeds kent het niet de rede
Van Zijn genade en vergiffenis

De aarde heeft nog nooit verstaan
Dat reeds twintig eeuw geleden
Vrede op aarde is in gegaan
Maar door mensen niet beleden

Twintig eeuw hebben wij ons afgekeerd
Ja, doden zelfs liefde en genade
Hebben van Zijn vergeving niets geleerd
En veroorzaken nu onze eigen schade

Hoelang nog smeekt de aarde om vrede
Verwacht enkel Gods liefde en genade
Maar ontkent nog steeds de rede
De verwoesting door eigen kwade.

Twintig eeuwen reeds respijt
Zijn ons in gena geschonken
En toch maken wij God verwijt
Dat wij zo diep zijn gezonken.

Beschouwing


Langs wanden van ’t verleden
Klim ik door ’t heden heen
Naar een toekomst van gedroomde
Beelden van hoop en bidden
Vrij van afkeer of aversie

Beklim de toren van toen
Die slechts angst en onwil kent
Legde op mijn doen geen zegen

Zie in spiegelglas van ’t heden
De breuken en barsten
Door gedachten, woorden
En daden die elkaar bestreden.

Diverse dagen


Er zijn van die dagen
Die niet lopen naar mijn zin
Met druk op m’n schouders
Als loodzwaar juk
Of halters behangen in lagen

Dagen zijn niet om te kniezen
Ik wil ze daarom dragen
Als toen ik jong en onbedorven was
Wellicht zou ik andere wegen kiezen

Maar toch leef ik in vele dagen
Die verlopen naar mijn wens
Waarop ik niets heb te klagen
Voel me dan een gelukkig mens.