Binnenste


Gisteren is zo snel vergeten
dat vandaag geen tijd meer heeft
om naar morgen uit te kijken

soms is de dag niet meer dan nacht
een herinnering van fluisterzacht
woorden van enkele seconden
een hartklop die de tijd verduurt

gedachten die zo snel vergeten
momenten die in tijd niet tellen
en morgens die een hartklop weten.

Daglicht


Morgen die de kim doet blozen
En straalt over ruime veld
Weer verlangen doet naar geurige rozen
Dauwdruppels aan de takken telt
Verlicht het land bestrooid met parelen
Over een deken van diep smaragd
Nadat aan de hemel sterren fonkelen
Als diamanten in duistere nacht.

Over watervlak spelen glinsterende zirkonen
Weerspiegelend een hemel van blauw azuur
En zilver witte lelies bekronen
De schone eenvoud der natuur

De morgen deed de horizon weer blozen
De avond sluit de dag rood als kleur der rozen.

Einde van het pad


Starend naar wolken en blauwe lucht
Naar zon en schaduw
En zien het verschil tussen leven en dood
Waar verdriet zich verschanst
Achter kransen van kleurrijke bloemen
Tussen velden vol witte kruisen.

En recht lopen paden naar de horizon
Die het veld verdelen in vieren
Terzijde de namen in strak gelid
Zwijgend en toch veelzeggend
Wijzend naar het eind van het pad
Waar straks ook ons kleurige bogen sieren.

De bevrijders


Nu strijkt de wind in vrijheid over velden
In wolken van vreugde verspreidt zich ’t licht
Een leven dat wij danken aan de helden
Die strijdend d’ overwinning hebben verricht

Nu wappert de driekleur fier van de toren
In ied’re stad en dorp wordt het nu gevierd
Met spel of muziek en in blijde koren
En elke straat is rijk met vlaggen versierd

Zelfs klinkt de vreugde in toppen der bomen
De vogels delen luid in de stemming mee
We kunnen in vrijheid over toekomst dromen
Al feestend en dansend of in stille vree

Toch vergeten we niet die zijn gevallen
Onze vrijheid danken wij aan hen allen.

Aan de macht


O heersers, o groten der aard
Hoe groot is uw invloed
Hoe groot is uw macht
Hoeveel is een leven u waard

Voor geen macht zult u buigen
Eer en bezit bestrijd
u te vuur en te zwaard
En anders valt alles in duigen

Ten koste van velerlei leven
Zal elke natie u dienen
U bent de machtigste, de grootste
En laat de wereld beven

Maar ziet wat de mens waardeert
De kleine, de zachtmoedige
Die elke mens wil dienen
’t Wordt tijd dat u daarvan leert

Stad en vlakke land


Tussen beton en steen en stinkend gas
In nauwe engtes opgesloten
En neonlicht vervangt de zon
Slechts hier en daar een sprietje gras
Tussen klinkers of asfalt ontsproten

Geen notie van de horizon
Het gloren van het ochtendrood
Geen geur van bossen of weiden
Inspanning vergt slechts ademnood
Voor iedere ruimte strijden.

Hoe liefelijk is dan mijn vlakke land
Met zicht tot aan de einder
Waar zich de blauwe hemel spant
Tot nevelig woud aan de horizon
Geluk zover men ooit verlangen kon.

De weg naar Kapernaüm


Nog ben ik niet aan ’t eind
Aan ’t eind van die lange weg
Die weg die leidt naar Emmaüs
Door brandende zon en stof
Verbitterd door schrijnend leed
Verlaten door een wrekend God
Een vraag waar ik geen weg mee weet
Laat Hij Zijn Zoon over aan aards lot?

Een stem die mij ten diepste roert
En raakt in innerlijke strijd
Wijst mij de weg die naar Kapernaüm voert
Waarheen Hij ons voor zou gaan
Zo, volg dan nu de weg tot Emmaüs
Wellicht komt u ook eens in Kapernaüm aan
En vertel dan aan Zijn broeders daar
De Heer is werkelijk opgestaan!

Vrij land


Schilderij; Hans Versfelt

Lopend over uitgestrekte velden
Gedachten waaiend in de wind
Denk ik aan wie mij vertelden
Waar ik het schone Holland vind
Koeien grazend in de weiden
Vogels zingend boven goudgeel graan
Zinsontgoochelend bevrijden
Zo nu en dan blijf ik even staan.

Een ver de nevelige bomen
Voor d’ horizon tussen dorp en hei
Een paard dat daar staat te dromen
Ergens in een hoek van de wei
De nachtegaal zingt tussen ’t groen
Uitbundig met zijn schoonste tonen
Heel Holland is gelijk een visioen
Het mooiste land om in te wonen.

Stilte


Op haar mooist met rozen in het haar
Een schitterend bruidsboeket zo stond ze daar
Vandaag de mooiste dag van haarleven
Zou ze hem haar hand en liefde geven

Hij, mannelijk stoer, doch jong verlegen
Stond daar in uniform compleet met degen
Licht blozend, van haar hield hij het meest
Vandaag was het hun huwelijksfeest

De volgende dag trok hij ten strijde
Wijl zij tijdens het afscheid schreide
Zoende hij haar en zei, “Ik kom terug”,
Zij bad; “O Heer, als ’t kan heel vlug”

Hij schreef; “Morgen zijn we aangekomen.
Dan genieten we van al onze dromen”
Het was zijn allerlaatste woord.
Nooit heeft iemand meer van hem gehoord.