Stad en vlakke land


Tussen beton en steen en stinkend gas
In nauwe engtes opgesloten
En neonlicht vervangt de zon
Slechts hier en daar een sprietje gras
Tussen klinkers of asfalt ontsproten

Geen notie van de horizon
Het gloren van het ochtendrood
Geen geur van bossen of weiden
Inspanning vergt slechts ademnood
Voor iedere ruimte strijden.

Hoe liefelijk is dan mijn vlakke land
Met zicht tot aan de einder
Waar zich de blauwe hemel spant
Tot nevelig woud aan de horizon
Geluk zover men ooit verlangen kon.

De weg naar Kapernaüm


Nog ben ik niet aan ’t eind
Aan ’t eind van die lange weg
Die weg die leidt naar Emmaüs
Door brandende zon en stof
Verbitterd door schrijnend leed
Verlaten door een wrekend God
Een vraag waar ik geen weg mee weet
Laat Hij Zijn Zoon over aan aards lot?

Een stem die mij ten diepste roert
En raakt in innerlijke strijd
Wijst mij de weg die naar Kapernaüm voert
Waarheen Hij ons voor zou gaan
Zo, volg dan nu de weg tot Emmaüs
Wellicht komt u ook eens in Kapernaüm aan
En vertel dan aan Zijn broeders daar
De Heer is werkelijk opgestaan!