Onzekere wandeling


Steeds zwervend alsof ik geen richting kan vinden
Langs eindeloze wegen die ik niet ken
Door dorre streken waar ik mij nooit zal kunnen binden
In een wereld vol haat en nijd waar ik nooit aan wen

Steeds zoekend naar die ene plek van rust
Waar toch ergens een weg naar toe zal leiden
En waar ik, ’t zij bewust danwel onbewust,
Mijn ziel van druk zal kunnen bevrijden

Dan is daar ’t eind van mijn zwervend bestaan
Aan alle onzekerheid een eind gekomen
Dan zal ik geen verkeerde weg meer gaan
Dan wordt mijn onrust eindelijk weggenomen.

Restanten


Nederzetting in Zimbabwe

Steeds weer zal je oog het licht
vragen na een zware wake
in duister van een lange nacht
afwezigheid van liefde

je adem steunt om morgenlucht
vraagt ruimte te ontplooien
in bewegingen en vrijheid
dragend vleugels van een adelaar

en in de palm van je hand
draag je sporen van het leed
van al wat jou is aangedaan
maar wie herinnert betere tijd.

Wereldvrede, wanneer?


De straat waar ik loop is stil en verlaten
Tegen muren de echo van mijn voetstap
Loop eenzaam tegen mijzelf te praten
Hoe men daarover denkt heb ik geen boodschap

Mijn gedachten geef ik vrij aan de wind
Laat ze zweven over zeeën velden bergen
Laat hen landen waar een ieder hen vindt
Voor niemand heb ik iets te verbergen

Tussen wolken vliegen mijn dromen over vrede
Over vrijheid en geluk voor ieder mens
Dat het eens zover komt is mijn bede
Op een wereld vol vriendschap is mijn vurige wens

Dank voor verzoening en gena


Dank, die ik U schuldig ben,
in alle schoon en goede,
waardoor ik alle liefde ken,
geborgen in Uw hoede.

Geef mij de moed, o Heer,
te tonen naar behoren,
dat ik Uw naam waardeer,
reeds in ’t ochtendgloren.

Bij ’t waken van de nieuwe dag,
waarin Uw grootheid schijnt.
En, zo U wilt, op Uw gezag,
angst, moeite en zorg verdwijnt.

O geef mij, Heer, de kracht,
aan U alle liefde te geven.
Door in de geest die U ons bracht,
met dank en lof te leven.

De lof, die wij U schuldig zijn,
genietend van Uw schepping,
in dank voor brood en wijn,
waarin de mens genade ontving.

’t Offer, door U Zelf gebracht.
Verzoening voor deze aarde.
Die begon in Bethlehems nacht,
toen Maria haar zoon baarde.

Witte wieven


Donkere stroom
van rustig water
ingeperkt tussen oevers
en verre horizon
stromend door heldere nacht
na zoele dagen.

Tussen ruisend riet
in groene uiterwaarden
onderbroken door hagen
of solitaire boom
onder wassende maan
na lange dagen.

Lichtend in vroege schemer
als glanzend lint
tegen achterliggende
bossen achter de dijk
tot “Witte Wieven”

Gewoon verliefdheid


Hoe zal ik in woorden kunnen beschrijven
grote schoonheid van jouw immer lief gezicht
ja bij de klanken van het schoonste gedicht
zal mijn herinnering aan jou zo blijven

rozengeur in golvend haar, honing jou stem
bewegingen gracieus als van een ree
je zang als van vele vogels sleept mij mee
naar bos waar ik rust in mos, aan jouw boezem.

Samen wandelen over lommerrijk pad
langs beek en kreek door het smaragdgroen struweel
genietend van de bloemen in zonlicht gevat

vleien wij ons in het gras, zacht als fluweel,
minnend als de tortels in hoge bomen
maken onze wereld tot ware dromen.

De schepper


Het daag’lijks eten dat mij spijst en voedt
het is gegoten uit het beeld van jou
het vult mijn lichaam met een warme gloed
als zonneschijn in vroege ochtenddauw.

Je lach als paar’len over ’t veld gestrooid
je oogopslag gelijk de hemelboog
mijn schone zanggodin met goud getooid
voor jou vormt de natuur een ereboog.

Jij muze die het leven roept en wekt
uit dorre tijd opnieuw weer doet ontwaken
met kleur en geur de aandacht steeds weer trekt
een ieders oog en hart moet jij toch raken.

Jou wezen ligt zo diep in je aard verborgen,
voor heel de schepping wil je steeds weer zorgen.

Aards paradijs


Een zachte bries streelde deze morgen
door het jonge lentegroen der bomen
hield belofte voor deze dag verborgen
hoop dat vele dromen uit zouden komen

ruisend zongen jonge bladeren een lied
een lied als groetend het ochtendgloren
en stil verrijst de zon in het verschiet
een hoopvolle nieuwe dag is geboren

in kruinen met het tere jonge groen
laat ook menig vogelzang zich horen
en toveren de wereld als een visioen
een aards paradijs met engelenkoren.

Dankbare herinnering en verwachtingen


Een lente vol bloesems en vol bloei
met jong leven overal in groene
malse weiden met tooi van kleuren
en belofte voor schone zomer.
En in dank vouwden wij de handen.

Tuinen vol bloemen in alle pracht
van kleuren en vormen om ieders
ogen te strelen en hart te verblijden
granen die rijpen tot aren zo vol.
En in dank vouwden wij de handen.

Bossen verven zich met gele, bruine
en rode bladeren en dieren zoeken
hun winterverblijf in holen of holten
in bomen of vertrekken naar zonnig zuid.
En wij danken voor alles de Here.

Tijd is gekomen dat planten verwelken
en oogst van granen en vruchten
en dieren die weer naar binnen gaan
en het veld blijft troosteloos leeg staan.
En wij vragen om nieuwe toekomst.

Begoocheling


Gedreven door wind
gestuwd door golven
gedragen door liefde
in eindloze tijd

gelaten aanvaarden
verstrijken van dagen
verwachten toekomst
die nooit meer verslijt

steeds blijven hopen
dat vuur blijft branden
water niet opdroogt
en leven eeuwig gedijt

eens zal toch blijken
dat we blijven geloven
in ’t aardse leven
en tijd zonder strijd.

Dag van lof en zang


Reeds vol belofte klinkt de morgen
met geruis van zachte wind
en duizenden vogelzangen zorgen
dat ik ook nu de rust weer vind.

Zang als uit hemelse hoven
zuiver zacht en puur
waarmee zij op aarde loven
Uw grote goedheid van uur tot uur.

U dankend voor hun heldere stemmen
kleuren waarmee U hen tooit
enthousiasme dat niet is te remmen
in een loflied dat nooit is voltooid.

Zelfs de kleinste geeft U zijn plaats
in het wonderlijk koor van klanken
geeft ook hem een ereplaats
om op zijn wijze U te danken.

Daar doe ik het voor


Wat belast mij toch met werk in huis en tuin
Wat houdt mij af van vrijheid mijner zinnen
Waarvoor gooi ik mijn eigen lusten in puin
Wat kan ik met deze nodeloosheid winnen

Ik aanschouw dan wel de schone bloemenpracht
En leg mij onder veilig dak te slapen
Terwijl ik gaande op mijn laatste schreden wacht
Maar vind tegen dood noch verderf enig wapen

En al peinzend in het laatste avondrood
Stil opziend naar de fonkelende sterren
Leg ik aan Hem al mijn angst en noden bloot
Die mij steeds in Zijn liefde ziet van verre

Dan is mij mijn last uit handen genomen
En kan ik deze nacht weer tot vrede komen.

Deel


De strijd van oog en hart is nu mijn deel
mijn brein verdeeld het beeld van buiten
dat is ‘t verworven onbekend geheel
en onder scherts of zotheid uit te sluiten

Mijn hart wil jou, hij kent je als geen ander
maar ach, mijn oog begeert je telkens meer
zo ben ik zelf mijn eigen tegenstander
en weet ik haast niet wat ik echt begeer

Tot recht en wijsheid heb ik mij gewend
die hebben over deze zaak beraden
helaas is mij de uitslag niet bekend
dus naar het resultaat is ’t eerst nog raden

Ik heb de uitkomst echter al bekeken
jij bent een deel van hart en oog gebleken.