Antwoord van een doof God


Ik bad tot God maar Hij sloot Zijn oren
En kende noch oorlog noch verdriet
Zo hoog verheven zag Hij ellende niet
Mijn klacht kon Hij daar ook niet horen.

Voor alle nood sloot Hij de ogen
De mensen bestonden niet voor Hem
Slechts vloek en straf kwam van Zijn stem
Hij kende voor hen geen mededogen.

Vanmorgen antwoordde Hij op mijn gebed
In vogelzang, in wind en ochtendgloren;
“Ik leef en heb de mens op aard gezet

Altijd zal Ik naar zijn klachten horen.
Genade die ik hem schenk zij hem genoeg
Omdat ik hen vanaf hun kindsbeen droeg’

Woordelijk bewijs


Hoe heb ik met mijn woorden geschreven
de vele regels gevormd door mijn brein
met mijn doen en laten sterk verweven
door tijd en slijt ook weer vergeten zijn.

Nu zweven nog letters, nietig en klein,
ergens rond in het groot universum
blijft van mijn woorden niets over dan schijn
en in de klanken verdwijnt het metrum.

Ver weg belandt in het apogeum
waar geen geluid meer verte draagt
schieten uit die baan summa summarum
en is er geen mens die daar nog naar vraagt.

Maar steeds vloeien nog woorden uit mijn pen
dit is een teken, dat ik er nog ben.