In stille aanbidding

Waar bloemen hemelse paden sieren
Ziende schepping en leven rondom
vol verwondering en aanschouwen
voel ik warmte in diep vertrouwen
van Uw grote liefde en hulp alom.

Alle mensen dieren bloemen
heel Uw aarde door U bedacht
in volmaaktheid vol van Uw pracht
zal ieder schepsel Uw naam roemen.

Maar als wezens klein broos en teer
leggen wij mensen door U geschapen
ons niet bij Uw grootheid neer
denken te winnen door eigen wapen.

Leer ons dat we machteloos staan
zo wij Uw weg steeds in aanbidding gaan.

In heel diep dal


Tussen hoogten opgesloten
zonder horizon of licht
slechts in diepte ontsproten
enkel op zichzelf gericht.

Opzien tegen hoge bergen
in besloten eenzaamheid
aan omgeving verbergen
moeiten, en eigen strijd.

Enkel in het diepste binnen
gebonden aan één plek
zonder te beginnen
verandering in dagbestek.

Eenzaam, tussen vele groten
stil verborgen angst
niet te worden verstoten
en voor menigte het bangst.

Toch van tijd tot tijd
door zon beschenen
in momenten zonder strijd
ontkiemende plant tussen stenen.

Ontluikende plant die liefde vond.
gestreeld door tere handen.
als door warmte ook in die afgrond.
verlost van knellende banden.

Gewezen door een medemens
die andermans noden ziet
en handelt naar Gods wens
eist roem en eer voor zichzelf niet.

In aardse banden

Een begrip om te zoeken.
Te zoeken naar het verband,
tussen dagelijkse twijfel,
en urenlange onzekerheid.
Twijfelend in onwetendheid
en onverklaarbare zekerheid.
Niet afhankelijk van duister,
niet afhankelijk van licht.

Een vragen naar meer waarheid.
Waarheid, niet te verklaren,
in de dagelijkse zaken,
benadert in onwaarschijnlijke.
Een samenhang tussen ons doen,
in tegenstelling tot ons denken.
Wat voor ons het nachtelijk duister
tot een alledaags licht maakt.

Een verklaring voor ons leven.
Een leven waarin we zoeken,
soms vinden, zonder te weten,
niet afvragen, waarde van onze vondst.
Waarin we vinden wat we niet zoeken,
in ruimte die ons beschikbaar is.
Zolang we blijven zoeken,
in gebondenheid door aardse band.

Ik zit te peinzen

Ik zit te peinzen wie mijn naaste wel zal zijn
is hij of zij een lid van mijn familie
is mijn naaste groot, sterk of juist klein
woont hij hier om de hoek dat ik hem vaak zie
is hij vriendelijk, joviaal, misschien wat verlegen
aanzienlijk en brutaal te zien en arrogant
altijd vrolijk of kan hij helemaal nergens tegen
is hij stijf of heeft hij een sportieve kant?

Heer, mijn hoofd barst gewoon van de vragen
of ik nu maar zo met ieder mens om moet gaan
en of ik nu persé ieders lasten moet dragen
wie moet míj dan in vrede’s naam bijstaan.
Stel dat hij helemaal niets van U wil weten
Uw bestaan als God bij hoog en laag ontkent
ik zou in mijn drift Uw liefdegebod vergeten
hem waarschijnlijk schelden voor serpent.

Ach Heer, wil mij toch wijzen dat alle mensen
door U met dezelfde liefde zijn bedeeld
naasten mag ik niet kiezen naar mijn wensen
wij allen zijn toch geschapen naar Uw beeld
in uw schepping moeten wij steeds leren
één niet beter dan een ander weten we gewis
nooit zullen wij een mens mogen weren
omdat hij vanuit Uw schepping onze naaste is.

Ik zit er mee

Het is niet allemaal vanzelfsprekend.
Het kan wel eens heel anders zijn.
Heeft God slecht op die mens gerekend,
die Hij bezoekt door kwaal en pijn?

Nee, zo eenvoudig is het allemaal niet.
Hij is toch geen Heer van het kwaad?
Hij is het toch die onze gebreken ziet,
ons het goede wil geven in Zijn maat?

Vanwaar Heer dan al die aardse ellende?
Over ons hoofd uitgestrooid, iedere dag.
U bent het die ons van jongs af kende.
Tot wie ieder mensenkind komen mag.

Gij hebt ons in Uw Heilig woord geven,
dat Gij ons wilt troosten, heel ons leven.
Daarom doen we ons best in heilig streven,
alle lof, eer en prijs aan U te geven.

Heer Uw hemel is toch nog niet gesloten,
Uw poorten toch nog niet eeuwig dicht?
Gij hebt de mens toch niet gans verstoten,
geweerd uit Uw heerlijk, warm licht?

Ach Heer, ik weet heus wel veel beter.
Mijn leven lang volg ik U al gedwee.
Met Uw bijbel als mijn gewetensmeter.
Maar al die vragen, zit ik toch wel mee.

Ik kàn niet geloven

Heer, ik kán niet geloven.
Geloven, dat er mensen zijn.
Die leven in Uw feestfestijn.
Die U niet prijzen en loven.

Heer, hoe moet ik geloven?
Dat mensen Uw grootheid niet zien.
Of dat ze niet willen misschien.
Begrip daartoe gaat mij te-boven.

Heer, hoe zou ik geloven?
Dat de mens Uw liefde weert.
Dus zelf zijn eigen ziel bezeert.
Henzelf van Uw heil beroven.

Heer, dank U dat ik mág geloven.
In Uw liefde, in Uw gena.
In Uw erbarmen niet terzijde sta.
Maar werkelijk tussen hen die U loven

Heer, ik zal echt moeten geloven.
Dat ik U niet voldoende eer geef.
Ook ik dank niet altijd dat ik leef.
Ik ben een mens, geen engel van boven.

Ik kan een boom niet laten groeien

Bloeiende vruchtbomen Marijke Abbink

Ik kan een boom niet laten groeien,
al heb ikzelf hem geplant.
Het onkruid, zelfs, kan ik niet snoeien,
al is het vrucht van eigen hand.

Mijn leven kan ik zelf niet bepalen,
al stel ik zelf de richting vast.
Mijn ongenoegen zal ik moeten betalen,
mijn eigen wil is mij tot last.

Mijn lasten kan ik zelf niet dragen,
mijn zonden zijn te zwaar.
Om gunsten moet ik U vragen,
als een armoedig bedelaar.

Ik kan een boom niet laten groeien,
al heb ikzelf hem geplant.
Wilt U hem met Uw liefde sproeien,
en zegen hem, met Uw gulle hand.

Dan, zal die boom eens vruchten dragen,
en groeien, boven alles uit.
Schep in die boom, Uw welbehagen,
zodat niets zijn groei meer stuit.

Nee, ik kan een boom niet laten groeien,
slechts door Uw genade staat hij daar.
En zal de mensen steeds weer boeien,
als teken van dank, van een armoedig bedelaar.