
Lang zullen glorie en roem droombeelden blijven
en zolang zal de dichter in zijn fantasieën
heldendaad van adel en vorsten beschrijven
die schonen overladen met galanterieën
jonkers die maagdekens met liederen paaiden
over hun glorieuze overwinningsdaden
terwijl ze de pluimen van hun hoed zwaaiden
en hun schone naar de waarheid lieten raden
doch het vrouwvolk was beslist niet te bedotten
al zongen zij voor hen de adem uit hun longen
de meiskens lachten zich krieken om die zotten
heel wat helden zijn van de toren gesprongen.
Ach ziet toch, het is uiteindelijk een kwelling
glorie en roem leidt slechts tot teleurstelling.
