Gehele dag


Uw dag hebt U vanaf de morgen
bekleed met schone edelstenen
glinsterend over bedauwde veld
waarover Uw lichtstralen schenen.

Met Uw warmte hebt U ons begroet
in het schijnsel boven de horizon
dat duistere nacht verdreef
en nachtelijke koude overwon.

Aarde beklede U weer met groen
en over uitgestrekte velden
wilde heel Uw scheppingsschoon
Uw glorie en victorie melden.

Zelfs in de kleuren van de avondzon
was Uw glans ons ten teken
dat nooit in duistere nacht
Uw trouw van ons is geweken.

Niet gevangen, toch bevrijd


Vang me in Uw netten
stop mij in Uw kooi
onderwijs mij Uw wetten
U maakt mijn dagen mooi.

U houdt mij niet gevangen
achter tralie of een muur
U kent mijn verlangen
geeft vrijheid van uur tot uur.

Ik wil Uw gevangene zijn
in netten van Uw woord
eens bevrijd van alle pijn
bij het openen van Uw poort.

Een zaadkorrel


Een hand raakt mij aan
als ik de herfst aanschouw
langzaam kleurend blad
steeds kaler wordende velden
dan denk ik,
“Ach, houd me nog even staand
dat ik in zon nog mag rijpen.
Stormen nog mag doorstaan
dat ik als stervend zaad
de aarde mag bereiken
nadat mijn leven voedsel
voor nageslacht heeft verzamelt
dat kracht uit mijn bron verspreid
als de zaadkorrel
die mij is voorgegaan.”

Feit


In licht en zon vervat
waarin gedachten rijpen
en zacht geluid niet stoort
stilte en vrede alles omvat
noden ons niet nijpen
angst niet doorboort

wereld waar hardheid in duister wijkt
zang vervangt daar oorlogsklanken
hulp in plaats van jaloezie
alles daar pais en vrede lijkt
waar men vete en ruzie af wil danken
dat is een droomwereld die noemt men

POËZIE!!!

Ik wil de schone muze zoeken


Ik wil de schone Muze overal zoeken
in het bos op de hei, ergens in het veld
‘t zij als schone maagd of fiere jonge held
Ik wil de schone Muze steeds weer zoeken.

Ik wil de schone Muze overal horen
in klanken van harpen en violen
met reien en gezangen als tegenpolen
Ik wil de schone Muze steeds weer horen

Ik wil de schone Muze steeds behagen
poëtisch spinsel aan haar opgedragen
haar bejubelend in schoonheid van minnedicht

Ik zie schone Muze komen vederlicht
als frêle deken die zich spreidt over velden
Zo vroeg ziet men schone Muze zelden

Één van duizend nachten


Schrijven van mijn hand
zoekt bevend de lijnen
die ik zou lopen door schaduw
van lommerrijke lanen
beschenen door maanlicht

omfloerst door kransen
van kleuren besprenkeld
met sterrenlicht
fonkelend door tere lover
inspirerend tot gedicht

en in heldere beken
sprankelende weerschijn
van nachtelijke romantiek
spiegel uit “Duizend en één nacht”
in een hemelbed.

Dieper verlangen

Zou je woorden willen peilen
inhoud van je lieve lach
in spiegels van je ziel zien
hoe jouw gedachten zijn voor mij
je verlangen bij mij blijven
samen als één maar toch vrij.

Delen onze mening tussen
overeenkomst of verschil
niet wegen op een wegschaal
aanvaarden elk zijn eigen gewicht,
zonder eigenbelangen door te slaan,
in een alles bevrijdend licht.

In de vensters van jouw binnenste
schoon gewassen door je tranen
wil ik jouw verdriet en vreugde lezen
in je heldere ogen bijgelicht
dan zal ik zien de warmte van je hart
en bewaren als dit gedicht

Droom over paradijs

Onder warme zon werd ik wakker

tussen bedwelmende  bloemengeur

op een rijk bloeiende akker

vol bloemen in allerlei kleur.

 

Nog slaperig opende ik mijn ogen

begreep niet waar ik was,

langs de hemel kleurrijke bogen,

een wereld waarin ik vrede las.

 

Door de lucht klonken hemelse tonen

en zang van menig koor

dit was een oord waar ik wilde wonen

zo schoon, zo lieflijk in ’t gehoor.

 

Geen edelsteen of goud

maar slechts liefde en vrede

is wat hier waarde houdt

alsook oprechte bede.

 

Droom verstoord door aards geweld

menselijk werk en falen

hoe wordt Gods liefde niet geteld

omdat wij van Zijn paden dwalen.

Hartstocht tot het uiterste

bride-3034400__340

Ik wil mij dompelen in hartstocht
dansen door jouw rozentuin
fluiten als merel in een eikenkruin
heel mijn ziel is aan jou verkocht.

Zwemmen in het water van jouw vijver
als een vis springen over ’t oppervlak
in een zwembroek, of een badpak
gedreven in ontoombare nijver.

Wees mijn nimf, mijn zeemeermin
laat je haren golven in het water
wijs mij niet af als ik jou bemin.

Luister stil als ik in de bomen zing,
bij mij weggaan kan nog altijd later
zie mij, voor ik uit die boom spring.

Verlangen als Hooglied

Het zachte licht gaat schuil in donker
één voor één sieren sterren de hemelboog
stralend met hun helder geflonker
in ’t zilveren schijnsel der maan
klinkt fluisterzacht door kruinen der bomen
als in engelenkoor jouw naam

velden kleden zich in blinkende sluier
als een bruid die op haar minnaar wacht
komend over de stroom der liefde
gedreven door verlangen en hoop
dat zijn geliefde hem met blijdschap verwacht
tot in een eeuwig durende huwelijksnacht.

Duurzame natuur

Ik zal nooit wennen aan de drukte in de stad
al heb ik vele jaren daar op school gezeten
en heb in broeierige klassen zitten zweten
maar had ’t na veertien jaren al wel schoon gehad.

Ik heb gezworven door de weidse landerijen
genoot de vrije frisheid en het ruime zicht
en ied’re dag in warmte van het zonnelicht
aanschouw ik vlucht van vlinder en gezoem der bijen.

Doch zie ik aan de kim beton steeds naderen
het ruime veld verdwijnt achter flat en dijken
hoe ‘t verder gaat, mij stolt ’t bloed in d’ aderen,

misschien dat groen en akkers voor huizen wijken
dan gaat ook ruime horizon voor goed verloren
de vraag is, hoeveel vogels wij dan nog horen.

Geschreven schilderij

Ik schreef een schilderij vandaag
over alledaags gebeuren
over ’t hoe en waarom was de vraag
in overvloed van vele kleuren.

Het rood van ’t rijzend zonnegloren
het veld gehuld in nevelig blauw
de smaragdgroene bomen bekoren
aan elke grasspriet een parel van dauw.

Over neveldeken dansen zonnestralen
van zilveren schittering en warm goud
de dag kwam ieder mens onthalen
dat is waarom ik van het leven houd.

Ik schreef een schilderij in woorden
met kleurnuances van de dag
toch mis ik beslist wel enige akkoorden
omdat ik lang elk detail niet zag.

Laatste uren van de herfstdag

Nauwelijks merkbaar is het licht
van de dag overgegaan
in duister van de nacht
en achter de wolken
wisselden zon en maan
’t is of de wind zelfs is gaan slapen

zacht in de verte roep van een uil
stille wandelaar door natte straten
ergens blaft een hond hem na
schaarse lantaarns flitsen aan
en laatste rumoer verstomt
de wereld is gereed te gaan slapen.

Herfstoverdenking

In ’t herfstbos denk ik na
Waar ik eens mij laatste rustplaats vind
Daar onder de eiken of de beuken
Of ergens in het vrije veld

Ach, de herfst stemt tot mijmeren
Als geen vogelzang nog klinkt
En door dorre kale takken
Slechts een waterig zonnetje blinkt
Of uit grauwe somber wolken
Tranen parelen door het dorre hout

Toekomst lijkt alleen te richten op de winter
Zal daar ook mijn laatste rustplaats wezen
Onder die serene witte deken

Maar nee, laat die plek nog jaren wachten
Een steen is immers snel genoeg gezet

Einde van de dans

Als een blad ben ik neergedwarreld
in een hoek, ergens waar de wind
geen vat meer op mij had
en ik rustig in kan slapen.

Ergens tussen kleurrijk verdoolden
in een windvrije hoek
waar we vredig samenschoolden
en schaduw vonden bij elkaar.

Daar, waar wij als bladeren dansten,
over velden, door de straten,
zijn wij vergeten en verlaten,
zijn eindelijk op bestemming aangekomen.