Moet zeker-weten
altijd zijn,
dat wij ook
zéker weten?
Of mag twijfel
een deel zijn
van onze
zekerheid?
Zou het kunnen
dat beide
richting geven
aan onze levenskoers?
Moet zeker-weten
altijd zijn,
dat wij ook
zéker weten?
Of mag twijfel
een deel zijn
van onze
zekerheid?
Zou het kunnen
dat beide
richting geven
aan onze levenskoers?

Langs strand en ruisende branding
zacht ritmisch met de golven mee
omsloten door behelmde duinen
komen mijn gedachten in schelpenecho
uit kosmische oorsprong terug
vanaf regelmatige deining over water
roepen duizenden stemmen aan
van wat achter de horizon ons wacht
in een toekomst om naar te leven
klinkt vertrouwen om door te gaan.

Vreemd dat juist de nacht
de dag zo duidelijk tekent
dat duister wacht
totdat de ochtend licht erkent
de nieuwe dag hervindt
met wolkenvelden of zonnestralen
schoonheid aan het leven bindt
in eindeloos zwart-wit herhalen
leven kan niet zonder goed of slecht
in spiegeling van reflecteren
wie zich aan normen of waarden hecht
moet ook teleurstelling verteren.

Hoe heb ik met mijn woorden geschreven
de vele regels gevormd door mijn brein
met mijn doen en laten sterk verweven
door tijd en slijt ook weer vergeten zijn.
Nu zweven nog letters, nietig en klein,
ergens rond in het groot universum
blijft van mijn woorden niets over dan schijn
en in de klanken verdwijnt het metrum.
Ver weg belandt in het apogeum
waar geen geluid meer verte draagt
schieten uit die baan summa summarum
en is er geen mens die daar nog naar vraagt.
Maar steeds vloeien nog woorden uit mijn pen
dit is een teken, dat ik er nog ben.

Rusteloos gaan mijn gedachten
mee met wolkenvelden
die trekken door ’t azuren blauw
fraai tekenen in witte vlekken
fantasieën die ik vertellen wou
woorden kan ik hiervoor niet vinden
hun schoonheid overweldigt mij
in hun omvang zo licht zwevend
van zwaartekrachten vrij
slechts door de wind gedreven.

Zijn het wolken zwevend in blauw
die mij gedachten trekken
mijn fantasieën ontmaskeren
als willoos gevoerd door ruimten
gedreven door enkel wind
zoals mijn zoektocht door vreemde
doorspekt met blinde ijdelheid
slechts windeieren vindt.
Ligt weten dan ver verwijderd
van zoeken naar inzicht
kernen van dagelijks bestaan
of is het juist de kern
van alle wezen dat in wind
wordt aangevoerd van verre
vanuit wolkeloze fantasieën
waar wijzelf eens hopen gaan.

Zou ik de jaren die zijn vergleden
tellen in dagen die zijn gepasseerd
vanaf mijn geboorte tot heden
lieve tijd,
wat heb ik dan weinig geleerd.

Ben ik dat ene stofje
daar ergens in ’t niet
in de dalen
tussen bergen
dat niemand ziet.
Die ene korel zand
in eindeloze woestijn
opgewaaid in storm
tussen regenwoud
en oceaan.
Dat ene spatje water
in briusende rivier
in een waterval
een stroomversnelling
op weg naar zee.

Hoe oud is het licht,
hoe groot is de zon
hoe jong is de wereld
vanaf alles begon?
Hoe hoog is de ruimte
het onnoemelijk heelal
ons begrip over hemel
hoeveel is het sterrental?
Hoe klein zijn wij in ’t universum
veel minder nog dan een ion.
En toch denken wij te weten
hoe ooit het leven begon.

Er zijn levenswegen
die gesierd worden
met bloemen,
bomen, en planten,
anderen lopen door dor zand
met cactussen
en tussen distels door.
Sommige levenswegen
worden zo smal,
dat je er
met geen voertuig
meer door kunt.
Dan heb je
nog een zware voettocht
voor de boeg.

Zolang ik weet
dat ik ben
weet ik
dat anderen zijn
zolang wij weten
dat wij
gezamenlijk zijn
weten wij
dat wij
in wezen
allen
één kunnen zijn.

Slechts windvanen geven aan
hoe de wegen zullen lopen
waar geen richting is bepaald
wij verloren dwalend gaan
als blinden met de ogen open
onverwacht voor een afgrond staan.
Meegezogen als bladeren in storm
van houvast en veiligheid ontdaan
willoos steeds verder gedreven
zonder zekerheid of eigen norm
ook maar even stil blijven staan
bij de vraag; “Is dit werkelijk leven?”
Loop achter de voetstap
van mijn verleden
draag de lasten
van toen in het heden
en mijn zorgen
wil ik dragen
naar de toekomst.
Mijn jeugd herinneren
als warme dagen
die mijn last verlichten
draagbaar het heden
tot onbezorgd zingen
over de toekomst
waarover ik wil dichten.

Geef mij zicht tot aan de einder
over vlakte ruim en licht
tot waar de zon haar schijnsel
naar verre horizon richt
daar wil ik zwerven over paden
door bossen en over veld
onder een azuren blauwe hemel
door geen zorg gekweld
zover het oog reikt zal ik trekken
onder de helder stralende zon
want achter gindse einder
ligt weer een nieuwe horizon.
Een hechte band tussen mensen
is niet meer dan een spinrag
tussen twee dunne twijgjes
in een storm.
Het is de flexibiliteit
die de kracht
en de levensduur
ervan bepaalt.