
Zijn ijdele waan als klatergoud gerezen
Door ’t glanzend spiegelbeeld voor zijn beneveld oog
Zijn verbeelding niet door waarheid te genezen
Geen eenvoud waar hij in nederigheid voor boog
Een schoonheid, trots van aanzien en gestalte
Ver verheven boven alle plebs en volk
Met intelligentie van zeer hoog gehalte
Zijn woorden dikwijls scherp als een geslepen dolk
Maar zie het lijf wordt ouder en gerimpeld
Het spiegelbeeld glanst nog maar wordt bedekt door stof
De geest wordt langzaam oud en versimpelt
Het aanzien, eens zo fier, ontvangt niet meer lof
Als een bloem, eens aanbeden door godinnen
Verteert zijn trots en klatergoud vanbinnen.
