Weer is een nieuwe dag geboren
’s morgens uit moeder zonneschijn
naakt, baarde zij in ochtendgloren
haar boorling onschuldig en rein.
Herauten kondigen de geboorte aan
vanuit de hoogste bomenkruin
verkondigen het glorierijk bestaan
van een wonder tot in menig tuin.
Veel kleurig sieren weer de bloemen
in de velden, in de parken en in weiden
alle vormen, te veel om op te noemen
een schat om door te lopen of te rijden.
Zo loop ik al peinzend door de natuur
verwonderd wie al dit schoons schiep
en behoedde iedere dag van uur tot uur
avonds vouw ik mijn handen en dank die Schepper.
Mijmerend aan oevers
tussen ruisend gekrookt riet
turend naar kabbelende golfjes
denk ik; “Ach,
bestond al dat water
uit kabbelende woordenstroom
begeleidt door muzek
van ruisend riet.”
En zo al dromend
turend naar de schijnbaar
eeuwig voort gejaagde golven
stromen mijn gedachten mee
en vormen een gedicht
dat stroomt met hen mee
naar eeuwig deinende zee.
En zittend op toppen van duinen
zie ik die woorden mengen
in een machtige massa
tot waar aarde en hemel
ineen smelten in onzichtbare lijn.
Wie kent niet midden in de nacht
de lugubere spookgeluiden
die dan weer luid, dan weer fluisterzacht
de komst van middernacht in te luiden.
Ze sluipen binnen door spleten en kieren
langs muren en plafon onhoorbaar
om plotseling in lach en brul uit te gieren
en hun jammerklachten zijn ontelbaar.
Hun territorium is de nacht
in duister ziet niemand waar ze binnenkomen
ze komen daar waar niemand hen verwacht
vooral dan in diepste dromen.
Maar verdwijnen in angst voor lichtende horizon
sluipen weg door gaten of kieren
en lossen jammerend op door licht van de zon.
Daarna kunnen wij opgelucht bevrijding vieren.
Als ’s ochtends met de vogelkoren
en het nieuwe licht aan de horizon
het nieuw geluk wordt geboren
onder de gloed van gouden zon.
Over smaragdgroen veld bezaait met parelen
en vaag blauwe bossen aan verre kim
onder azuur lucht waar kievieten buitelen
en zwaluwen doorheen scheren als een schim.
Dan lijkt de wereld ’t sprookje van weleer
een paradijs vol vrede en feest
daar ontmoet de mens zijn schepper weer
dan is ’t zoals ooit Gods bedoeling is geweest.
Als een bloem zo teer van kleur
een opengevouwen kelk.
Schoonheid en reinheid
die haar omringt en kust haar wangen.
De gratie waarmee zij beweegt
als een hinde, een ree, een gazel.
Waar zij haar voetstap zet
groeien bloemen van goud,
bomen met bladeren van smaragd
haar mond ademt lauter rozengeur.
Haar zang is schoner dan vogelzang
Rond haar taile een gordel van zirkoon
haar ogen stralen de warmste stralen
heel haar wezen en karakter,
noemt haar naam……. LENTE!
Dikwijls verwens ik de nachten
om hun ondoorgrondelijk duister
om hun geluiden alsof spoken lachten
met een huilend hoongefluister.
Opgesloten in ruimte zonder schaduwen
waar geen mens een hand voor ogen ziet
opgevreten door angst en zenuwen
in een wereld die geen hoop of soelaas meer biedt.
Met blinde ogen tast ik langs de wanden
hopend op opening wijzend naar zon
schijnend op blanke warme stranden
nog steeds in hoop dat ik daar verblijven kon.
Maar de nachten blijven duister
en de ruimte blijft een gesloten cel
’t geluid blijft een dreigend fluister
heel het leven lijkt meer en meer duivelsspel.
En toch!…, Heer komt aan U de overwinning
U geeft ons zekerheid U geeft ons kracht
en eens komen ook wij tot bezinning,
kom ons ook nu te hulp in deze duistere nacht.
Steeds weer is er de hoop
hoop in mij dat het goed is
alle dagen van mijn levensloop
veel geluk en geen gemis.
Die hoop is niet voor mij alleen
ik bid voor allen op deze aarde
voor jong en oud, voor iedereen
niemand is van meer of minder waarde.
Niemand is van neer of minder gewicht
het zij bedelaar, koning of werelleider
ieders taak is op steun en/of hulp gericht
of hij autochtoon is of gastarbeider.
Zo hoop ik dat de wereld mooier wordt
mensen behulpzamer voor elkaar
ieder zich met wapens der liefde omgordt
dan worden vrede en vriendschap waar.