
Wie kent niet midden in de nacht
de lugubere spookgeluiden
die dan weer luid, dan weer fluisterzacht
de komst van middernacht in te luiden.
Ze sluipen binnen door spleten en kieren
langs muren en plafon onhoorbaar
om plotseling in lach en brul uit te gieren
en hun jammerklachten zijn ontelbaar.
Hun territorium is de nacht
in duister ziet niemand waar ze binnenkomen
ze komen daar waar niemand hen verwacht
vooral dan in diepste dromen.
Maar verdwijnen in angst voor lichtende horizon
sluipen weg door gaten of kieren
en lossen jammerend op door licht van de zon.
Daarna kunnen wij opgelucht bevrijding vieren.
