Genot


Nevelig door verlangen bezwangerd
Begroet mijn diepst gevoel
Het zachte rood van de ochtendstond
Geniet ik het genot der vogelzangen

En in het pril begin der dageraad
Rijst fier de zon ter kimme
Omrand witte schapen,
Die in de blauwe weide grazen,
Met gouden randen

De wereld is een paradijs,
Een muze gekleed in tule van smaragd
Een wonder van inspiratie
Gelijk een vrouw met wonderschone gratie

Enkele reis


Langzaam aan nader ik de horizon
Niet meer zo krachtig kwiek als in ’t begin
Toen in ’t geborgene de reis begon
Nu vraag ik, al voorwaarts gaand, naar de zin
Wat was het doel waarnaar ik streefde
Zovelen reeds zijn mij voorgegaan
Waar is nu die vriend, die mens, die toen leefde
Wie kent nu nog hun namen, hun bestaan

Ach, iedereen gaat over eigen wegen
Voorwaarts over enkel spoor van station tot station
Niemand weet waar het einde is gelegen
Toch stapt men eens uit op ’t laatste perron
Begint dan het nieuwe leven in het nieuwe paradijs
Daar waar ons geloof en hoop op is gevestigd
Ligt daar het einddoel van onze levensreis
Wordt dan voor eeuwig de belofte aan ons bevestigd