
Licht kromgebogen, een oude heer
staat hij in het ruime veld.
Vogels strijken op z’n takken neer
als kinderen aan wie opa een verhaal vertelt
over vele geslachten die hij beschutte
in de schaduw van zijn volle kruin.
Maar zijn houding wordt steeds minder.
’t Is alsof hij stil en eenzaam treurt
mijmerend slechts over goede herinnering.
Als de lente het groen weer kleurt
biedt zijn kruin niet meer de beschutting.
Is het helaas met mijn eik gebeurd.
