Zon- en maneschijn


Niet zo ver is de morgen van de avond
Als men droomt in slaap na welbestede dag
Waar men genoot reeds vanaf de morgenstond
Van vogelzang en zonnestraal met blijde lach

In tijden dat men ’t leven als blijspel ziet
Al dansend uren door de tijd kan gaan
Of gewoon dromend luisteren naar een lied
Al mijmerend wat men die dag heeft gedaan

Een dag is een onderdeel van tijd in uren
Bestaat uit slechts tellen aaneen geregen
Hij kan niet langer dan ‘t verleden duren
Waarin is gezegd en ook veel gezwegen

Ziet dus het licht der maan en van de zon
Iedere dag eindigt zoals hij ’s morgens begon.

Lichtende schaduw


Even passeerde het mij als een schaduw
Een flits die mij het zicht benam
Een gedachte die mij woorden ontnam
Een duistere plek uit het verleden
Die zich heden derwaarts spoedde
Opgejaagd door stralende zonneschijn
Passerend en door mij na gekeken
In ’t helder zonnelicht.