
Vanuit de struiken
voel ik de dreiging
als aan de grond genageld
kom ik niet van de plek.
Ik voel dreigende ogen
als gloeiende kolen
een wezen klaar voor de sprong.
En vanachter brult de dood
als een leeuw.
Maar de wolf bijt in mijn been
en laat niet los.
Dan schijnt de zon
en het pad verlicht
zodat de gloeiende kolen
doven
en de leeuw brult Zijn victorie.
