Een nacht of duizend


Beschenen door zacht maanlicht
Zou ik willen lopen door lommerrijke lanen
Voor inspiratie tot een liefdesgedicht
Verheugd mij in de zevende hemel wanen

Te snel zou zo’n nacht verbleken
Te snel zou de maan ter ruste gaan
Ook was de twinkeling der sterren geweken
En het lommerrijke licht vergaan

En met sprankelend weerschijn in beken
Als een spiegel uit “Duizend en één nacht”
Is nu ook de romantiek verkeken
Toch zingt nog de nachtegaal zacht

Ik behoef geen monument


Herinner slechts mijn woorden
Geschreven op een eenvoudig vel papier
Daarin legde ik de akkoorden
Momenten van verdriet of plezier

Hoelang wij nog zullen leven
Niemand weet dat vooruit
De etude hiervoor is nooit geschreven
Ieder weet ’t begin niemand ’t besluit

Voor mij hoeft geen zuil of zerk te wezen
Ik heb geleefd als bon vivant
Dat is in mijn woorden ook te lezen
‘s Avonds zag ik wel, waar ik ’s daags was beland