
Een ruwe klomp steen uit de aarde
verontreinigd door modder en zand
ik vraag me af waarom ik hem bewaarde
normaal smeet iemand hem aan de kant
maar ’t was of ik een hartslag voelde
in dat weerbarstig ruwe stuk steen
zag iets van glans toen ik hem afspoelde
als een zacht aureool om hem heen.
In mijn bagage heb ik hem meegenomen
voorzichtig als een kleinood verpakt
wellicht was niemand op zo’n idee gekomen
temeer omdat ik al voldoende was bepakt.
Thuis heb ik hem gereinigd en geslepen
in vorm van zeldzaam waardevol diamant
dat was ’t niet, ik kon er niet mee dwepen
maar zo nu en dan koester ik hem in mijn hand.
Hij is als van voor de tijd der aarde
hoe God ook eens ruwe leem en klei
in Zijn hand bewerkte en bewaarde
koesterde het net als ik nu deze kei.
Hij maakte ervan geen goud of edelsteen,
boetseerde zijn evenbeeld, gaf hem verstand
ook gaf Hij aan hem Zijn schepping te leen
beschermt hem in de palm van Zijn hand.
