Leven en geleefd hebben


De dag waarop ik leef
is niet belangrijker
dan de dagen
waarop ik geleefd heb
of waarop
ik nog zal leven,
het belangrijkste
van al mijn levensdagen
is de manier
waarop ik geleefd heb,
of dat nu gisteren,
vandaag of morgen is

Pelgrimswoorden


Tussen die duizend woorden
die ik nog wil schrijven
zweven nog zoveel accoorden
die in mijn brein gesloten blijven.

Tussen al die noten en muziek
zoek ik verband van vriendschap
in klank van ritme en metriek
opgenomen in broederschap.

Zo blijft steeds een zoektocht
in woorden en daden
ongewis als een pelgrimstocht
laat steeds het einddoel zich raden.

Geloof het wonder


Het wonder geloven
is geen uitschakelen
van het verstand,
maar het gebruik
van je zintuigen.
Is het bestaan van de aarde
-hoe hij ook ontstaan is-
en het leven,
dan iedere dag opnieuw
geen groot wonder ?

Spookachtig


Terwijl in het holst van de nacht
spoken door de kamer zweven
ieder bang op de ochtend wacht
weggescholen in angst en beven.

Zullen straks, als de zon weer rijst
de straten weer gaan leven
is er niemand die nog spoken wijst
of zijn of haar angsten aan durft geven.

Dagen zijn het leven, dagen zijn plezier
leven is voor iedereen zonneschijn
voor de één een glas wijn, de ander een pul bier
maar niemand leeft alleen in maneschijn.

Maar spoken zweven niet in de zon
dan zouden zij alleen maar verschroeien
ze trekken zich terug in een cocon
waarin ze voor de volgende nacht groeien.

Met het weer mee


De lucht was grauw
en stil de straten
slechts een enkeling
haastte zich naar huis.

De kraag hoog op,
handen in de zak gestoken
de blik op oneindig
geen groet, hooguit een grauw.

Hoe anders als de zon straalt
aan een helder blauwe lucht
dan heeft ieder mens tijd
voor een groet of praatje.

Dan zijn de straten weer bevolkt
en zie je geen chagrijnig gezicht
niemand meer de blik op oneindig
het oog veel meer op lach gericht.

Lach


Lach, lach vandaag,
lach de lach,
die jij alleen kan lachen
die lach,
die elk mens verblijdt
zelfs de zon doet schijnen.

Lach, je lach brengt vreugde
voor ieder die hem hoort,
al heb je zelf pijn
al heb je zelf verdriet
lach steeds je vrolijke lach
zonder ken ik je niet.

Lach in een wereld vol ellende
laat ieder weten dat je leeft
lach zoals de wereld jou altijd kende,
de mens die ieder warmte geeft.
Lach de lach die jij kan lachen
jouw gulle lach geeft dat de wereld,

elke keer een sprankje moed weer heeft.

Net zo’n kat


Mijn hart krimpt nadat jij bent verdwenen
en ook al zoek ik mij ’t apenzuur
volgens mij nam jij voorgoed de benen
en beslist niet voor onbeperkte duur.

Nu zit ik hier eenzaam op m’n bank
maar waar is waar, ik weet, ik ben je kwijt
wat helpt ’t als ik in m’n ééntje jank
’t is zo ’t is, en da’s een nuchter feit.

Nu maar weer dapper op zoek dan maar
d’r lopen er op deze wereld nog zat
en ook wel één die me zint, da’s waar
waarschijnlijk is dat ook niet als jij, zo’n kat.

Herfstblad


Als een herfstblad
draai ik met winden
over velden en door bossen
zwaaiend en zwierend
genietend van ’t leven.

Onder kleurrijke bomen,
grauwe luchten,
of waterige zon
tussen veelkleurige soortgenoten
en lig soms even te dromen
waar geen winden mij stuwen.

Ik droom over ’t verleden
toen ik gekleed was in groen
of in geel op de akkers
de toekomst oneindig.

Maar nog zwierend als herfstblad
dansend over de velden
daal ik, als de wind mij niet stuwt,
ergens op een luwe plek
even als mijn soortgenoten.

Van dag tot dag


Jaren waren nog jaren
dagen slechts een zuchtje wind
waarop ik mijn dromen liet varen
illusies en waarheid van een kind.

De toekomst nog zo ver
daar werd nog niet aan gedacht
de oudedag nog mijlenver
die werd nog lang niet verwacht.

Ik leefde vrij in vlakke velden
en meed angstvallig wereldstad en metropool
buiten mijn geboorte grond kwam ik zelden
maar ging wel in de stad op school.

Vraagt men mij nu, waar blijft de tijd
blijf ik het antwoord schuldig
ach men raakt de tel kwijt
dus wacht ik maar geduldig.

Mooiste moment van de dag

Iedere ochtend onthult schoonheid van schemering
de aarde nog in nevel gehuld
bomen in douw versiert met schittering
een tule van zilver door zonnestralen reeds verguld.

Als van smaragd, robijn of zirkoon,
en in de kruinen begint een vogelkoor
met zang zo kunstig zo schoon.
Begin van een dag zo’n blij gehoor.

Flarden van nevel bedekken nog de aarde
over ruime velden of akkers met graan
alsof de wereld nog iets van zijn schoonheid bewaarde
nog iets van de sprookjes die nog steeds bestaan.

Op deze vredige ochtend kent de dag nog rust
voor de zon de temperatuur doet stijgen
de wereld door afgunst en hebzucht belust
in jagen en jachten de rust bedreigen.

Voor dag en nacht


Tussen dag en nacht
is slechts één verschil
’t is net wat je verwacht
rumoer over dag, ’s nachts stil.

In ’t licht van de dag
geniet ik je figuur
zie je gezicht en hoor je lach
zet je mijn hart in vuur.

In duistere nacht
betast ik de lijn van je gezicht
dan fluister ik zacht,
“Voor jou is dit gedicht.”

Verslaving


Wat is een gedicht
niet meer dan letters op papier
voor de één van meer of minder gewicht
voor anderen betekent het geen zier.

De dichter mag dan sloven, zweten,
trachten mensen aan woorden binden
al zal hij van die arbeid moeten eten
’t blijft gokken wat lezers er van vinden.

Toch blijft hij aan de letter verslaaft
en schrijft zo menig vers groot of klein
hier wordt wat gelijmd daar weer geschaafd
denkt aan ’t eind: “Zo zal ’t moeten zijn.”

Levenspad


Daar, waar die laan begint
begon ook eens mijn leven.
Aan het eind ontwaarde ik de horizon.
Zo kort, ergens moest toch verbinding zijn .
Ruimte die de tijd beloofde.

Daar door die laan met vele bomen
met elk een herinnering
aan vreugde of tegenslag
waar schaduwen het licht beproefden.

Daar hoorde ik behalve klagen
ook de zang der nachtegaal
en een stem in wind zacht en troostend.
“Dit is het pad des levens,
aanschouw de kracht der zonnestralen”.

Stromen van rust


Als onrustige zee
wordt ik heen en weer gestuwd
in pieken en dalen
tot ik tepletter sla in branding.
Beukend op rotsen
mijn weerstand gebroken
en verdwijnen in massa
individueel gelijkvormig.

Tot rust komen in rustig vaarwater
traag stromend voorwaarts
naar hopelijk vrede en rust
in vredig schone stranden
rustend op blanke palmenkust.

Dichtersvisie


Geen dichter kan beschrijven
wat hij zelf nooit ondervond
al hoopt hij gezond te blijven
blijft hij niet verstoken van kwaal of wond.

Het gaat zoals het gaat in ’t leven
een mens heeft niet alles in eigen hand
zijn kwetsbaarheid zal hij toe moeten geven
door tegenslag of ziekte gestrand.

Een dichter is een mens als iedereen
al schrijft hij nog zo’n mooi gedicht
en ziet men hem als fenomeen
zonder ervaring heeft het geen gewicht.

Daarom schrijft geen dichter over ziekte of kwaal
die hem nooit zelf heeft geraakt
maar heeft wel compassie met allemaal
die in het leven eenzaam zijn gemaakt.