Begoocheling


Gedreven door wind
gestuwd door golven
gedragen door liefde
in eindloze tijd

gelaten aanvaarden
verstrijken van dagen
verwachten toekomst
die nooit meer verslijt

steeds blijven hopen
dat vuur blijft branden
water niet opdroogt
en leven eeuwig gedijt

eens zal toch blijken
dat we blijven geloven
in ’t aardse leven
en tijd zonder strijd.

Ergens in het verleden


Ergens in ’t verleden,
ligt de vergetelheid,
waaruit herinneringen treden,
van lang vervlogen tijd.

Ergens in ’t verleden,
Waar ons bestaan begon,
Tot aan ons dagelijks leven,
Beschenen door de levenszon.

Ergens in ’t verleden,
Moet ’t lot eens zijn beslist,
Waarvoor mensen streden,
Zonder dat men rede wist.

Ergens in ’t verleden,
Ontstond ’t goed en kwaad,
Tussen normen, waarden en zeden,
Waar ’t om het leven gaat.

Ergens in ’t verleden,
Koos men een ander pad,
Dan welke werd betreden,
Men voordien gekozen had.

Ergens in ’t verleden,
Is, misschien, iets verkeerd gegaan,
Iets, waaronder allen leden,
Waardoor wij ’t heden niet verstaan.

Ergens in de toekomst,
Ligt er een nieuwe leus,
Die aan de mensen toekomt,
Bij ’t kiezen van de goede keus.

Keizers kleding


Het spiegelbeeld waarmee ik mijzelf spiegelde
Gaf niet het beeld wat ik mijzelf voor ogen hield
Voor anderen was het, het tegengestelde
Het heeft mijn vertrouwen en eigenwaan vernield

Aan duigen ligt nu de glans van het spiegelglas
De werkelijkheid toont zich nu hard en wreed
Hoe men volgens waarheid is ontdekt men pas
Als men zich met “Keizers kleren” heeft gekleed

Dan blijkt het naakte uiterlijk in puur contrast
Gekleed in klatergoud te staan voor Jut en Jul
En blijkt transparantie vanuit binnenste gepast
En voor de rest vanbuiten slechts flauwe kul

Ik keer de spiegel waarin ik kijk nu dus om
Om naar een aangeklede nar te zien is dom.

Mijn wens


Zacht glijd ik door de wind
mijn vleugels ver gespreid
zoekend de drijvend thermiek
die mij stuwt naar hoogten
over bossen en bergen heen

die laat zweven over landen
over zeeën en blanke stranden
vliegend als de adelaar
langs ravijnen en kloven
hoogtes en dalen in het leven

en laat me landen daar
waar geen stormen woeden
slechts zacht een koele wind
kruinen van bomen doet wiegen
en leven alleen vrede vindt.

Beschouwing


Langs wanden van ’t verleden
Klim ik door ’t heden heen
Naar een toekomst van gedroomde
Beelden van hoop en bidden
Vrij van afkeer of aversie

Beklim de toren van toen
Die slechts angst en onwil kent
Legde op mijn doen geen zegen

Zie in spiegelglas van ’t heden
De breuken en barsten
Door gedachten, woorden
En daden die elkaar bestreden.

Wegend


De woorden die ik in mijn hart geborgen houd
alleen voor eigen vrede en rust bedoeld
zijn niet wereldschokkend noch beledigend
maar beschermd tegen zinloos geweld
in mijn diepste innerlijk en overtuiging

Mijn gedachten die ik nooit uitspreken zal
zijn de bescherming van mijn woorden
behoeden mij voor strik en val.

Licht en schaduw


Mijn schaduw alleen getekend door ’t licht
in ’t schijnbeeld van mijn eigen wezen
niet anders dan door eigen zijn verricht
is ’t duister slechts bij lichte dag te lezen.

Hoe schril de tegenstelling van nacht en dag
de schijn van zon, de sterren en de maan
zo ook de tijden van verdriet en van lach
het feest van komen, de treurnis van gaan.

Zo loopt de mens in wankel evenwicht
tussen licht en duister in eigen spoor
naar welke zijde hij zijn schreden richt
dagen dat hij zichzelf vindt of ook verloor.

Woordelijk bewijs


Hoe heb ik met mijn woorden geschreven
de vele regels gevormd door mijn brein
met mijn doen en laten sterk verweven
door tijd en slijt ook weer vergeten zijn.

Nu zweven nog letters, nietig en klein,
ergens rond in het groot universum
blijft van mijn woorden niets over dan schijn
en in de klanken verdwijnt het metrum.

Ver weg belandt in het apogeum
waar geen geluid meer verte draagt
schieten uit die baan summa summarum
en is er geen mens die daar nog naar vraagt.

Maar steeds vloeien nog woorden uit mijn pen
dit is een teken, dat ik er nog ben.

Hoe zal het zijn?


Wat zouden wij toch graag willen weten,
hoe het boven in Uw hemel is, o Heer
zodat wij nooit onwetend zullen vergeten
de wijsheid en de waarde van Uw leer.

Zo heel graag willen wij mensen zien
wat de toekomst zal zijn na ons leven
opdat dan het geloof in U misschien
weer door hoop zal worden gegeven.

Beloften gedaan door U in Uw woord,
doen zoveel liefde en heil verwachten,
doet aan ieder die het nu reeds hoort,
de aardse ellende en pijn verzachten.

Het spreekt van goud en schone edelstenen,
van warmte, geluk, liefde en zonneschijn,
van engelen die hun diensten ons verlenen,
aan rijke maaltijden met brood en wijn.

Maar Heer, wij moeten slechts vertrouwen,
op Uw beloften, trouw en woord alleen,
want zolang wij daar alleen op bouwen,
stuurt U straks geen mens ooit heen.