Geen grote daden


Meegesleurd in een zee
van klinkend woord
door brandend deinende golven
langs klimmende rotsen
roeiend met korte riemen
geen angst kennend
zie ik geen spook die langs mij komt
maar hoor slechts;
“Gooi je netten
aan loefzijde uit!”
en zie, het net staat op barsten.

Herfst-winter


Niets mooier dan wandeling door nevelig bos
genot van zwakke zonnestralen door kruinen
over bladbedekte kronkelpaden struinen
bewonderen van bomen bedekt met mos

ergens rusten op een boomstronk in de stilte
ademen van de pure gezonde lucht
door het lover strijkt een bries als een zucht
’t is een voorbode voor de avondkilte

schaduwen beginnen langzaamaan te lengen
de zon begint te dalen met diep avondrood
van takken valt dauw alsof ze tranen plengen

het duurt niet lang of de kruinen zijn ontbloot
en een nieuw jaargetij beheerst heel de natuur
komt winter met vorst en sneeuw koud en guur.