Overgang


Acht slagen in de ochtendstond
Een jonge dag is geboren
De kim wentelt zich in ochtendgloren
En gestaag vordert de tijd
In rijen van minuten en uren
Terwijl het zonlicht steeds verder verbreid
Over akkers en groene velden

De hemel kleurt azuren blauw
Waar witte schapenwolken weiden
Overal zweven herfstdraden
Parelend door druppels van de dauw

’s Avonds kleurt de horizon in avondrood
En hier en daar gaan sterren schijnen
En het veld hult zich weer in nevel
De natuur maakt zich op voor de herfst
En zal morgen veld en bossen schilderen
De klok slaat weer acht en voort gaat de tijd

Na mijn tijd


Waar zal de zerk staan
Waaraan ik heb gebouwd
Wat zijn dan nog de woorden
Die ik geschreven heb
Gesleten door erosie in weer en wind

Een steen, niet meer
Geen uitspraak van mijn denken
Mijn woorden vervlogen
Als de letters op die steen

Misschien dat slechts een enkeling
Zich afvraagt wie ik ooit was
Herinnerd door een kale steen
Ergens op een vergeten plek
In stilte waar men nog vogels hoort

Alleen zeker weten


Kan er meer zijn dan ik zie,
bomen, planten, bloemen,
rivieren, meren of de zee,
iets hoger dan de blauwe lucht?

Ja!

Bestaat er meer dan ik hoor,
ruisen van de wind,
zang van vogels in de bomen,
regelmaat van de golven?

Ja!

Is er meer dan mijn gevoel,
van verlangen om de liefde,
mijn vreugde van het zijn,
blijdschap door vriendschap?

Ja!

Wat is er meer nog dan geloof,
het zeker weten van gena
zonder dat ik zie of hoor
’t gevoel dat Hij naast mij staat?

Niets!

Seizoensverandering


Zacht ruisen de golven
bij eb en vloed
langs thans verlaten stranden
waar slechts enkele wandelaar
nog toeft om rust te zoeken
en te genieten van spiegeling
op deining tot aan de horizon

achter stervende duinen
gaan velden slapen
na inspanning van groei en oogst
de wereld legt voldaan ter ruste
voorbereidt op nieuw seizoen
langzaam reizen nu de golven
glinstering wordt donkergroen.

Laatzomeravond


Steeds vroeger verdiept schaduw onder de bomen
steeds minder voelen we warmte van de zon
langzaam zien we koude herfst nader komen
steeds duidelijker de scheidslijn van de horizon

schemerig wordt het licht in de avondgloed
nog zacht is de zang der nachtegaal te horen
en langzaam verdwijnt de zon rood als bloed
de vogel zwijgt alsof hij niemand meer wil storen

in sierlijke hoge boog draaien sterren en maan
als langs een fluwelen zwart kleed
reeds eeuwenlang hun eigen vaste baan
enkel doorkruist door de staart van een komeet.