Stromen


Nooit staat ’t water stil
In de stroom waarlangs ik sta
In regelmaat als de tijd
Vloeiend tussen oevers
In eeuwenlang dezelfde loop
Eindigend in overvloed

Zo niet de stroom van tijd
Waarin ik sta die ook immer
In grootste regelmaat verder stroomt
Maar eens zal wisselen
Voor eeuwigheid.