Ècht hoor!


“Ik heb haar toch heel ècht gezien,” hield hij bij hoog en laag vol.
“Ze had zilverstralend haar en een figuurtje dat gewoon niet te beschrijven valt. Haar taille was niet veel dikker dan mijn pink. Haar boezem leken twee ontmantelde kokosnoten en haar derrière twee zacht schommelende druiventrossen gedragen door twee ivoren kandelaren. Haar vleugels waren zo teer en doorzichtig dat alleen het ruisen was te horen bij het passeren en de zachte luchtverplaatsing te voelen was.”
Hij leek er voor zichzelf voor 100% van overtuigd dat hij op z’n minst een engel had ontmoet en was er nog totaal door van slag.
Bij voorbaat bewust dat ik hem op geen enkele wijze het onmogelijke van zijn veronderstelling, hoe mooi die ook leek, aan het verstand kon brengen besloot ik toch nog een poging in die richting te doen.
“Hoor nou Gert,” trachtte ik hem aan het verstand te brengen, “engeltjes bestaan heus wel in de hemel, maar op aarde kom je, dat soort engeltjes in ieder geval, niet meer tegen. Al lopen er ook genoeg “Engelachtige” figuurtjes rond.”
“Je wilt me niet geloven, maar als je deze had gezien was je voor haar op je knieën gevallen en had je de grond voor haar voeten gekust!” beet hij mij verontwaardigd toe.
“Kom,” zei ik om de zaak te sussen en hem wat tot rede te brengen, “laten we deze zaak verder maar laten rusten en over wat meer alledaagse dingen praten, hier komen we samen toch niet uit want het is de vraag of ze zich noch weer zal laten zien.”
We gingen samen op het bankje voor mijn huis zitten daar het zeer aangenaam weer was.
Al spoedig ontwikkelde zich nu een geanimeerd gesprek over “koetjes en kalfjes” en Gert scheen zijn ontmoeting met zijn “engel” al weer behoorlijk te vergeten.
Totdat…..!
Plotseling gaf hij mij een por in mijn ribben dat ik haast aan de andere kant van de bank af schoot.
Naar adem happend scheen hij geen woord uit te kunnen brengen en zat alleen maar druk te wijzen.
“Ja, wat heb je nou?” wilde ik weten.
“D..d..daar heb je d’r”, bracht hij er uiteindelijk met moeite uit.
Ik keek in de richting waarnaar hij wees en groette mijn nieuwe buurvrouw.

Bevallen


Hij scheen nogal overstuur te zijn en kon in het geheel niet uit zijn woorden komen.
“Kalm nou maar,” maande ik hem “zo kom ik er nooit achter wat je dwars zit”.
Na een glas water en twee glazen whisky leek het er op dat hij de boel weer op een rijtje had. Maar aangezien hij eigenlijk nooit alcohol dronk, begon hij nu op gigantische wijze wartaal uit te slaan. Toch meende ik uiteindelijk uit zijn verhaal op te kunnen maken dat de geit die hij onlangs gekocht had om zijn gazon kort te houden, aan het bevallen was.
Hoewel het van begin-af-aan duidelijk te zien was dat de geit hoog zwanger was, was het hem als bureaucratisch jong ambtenaartje nog in het geheel niet opgevallen.
“Die handelaar heeft me er niets van verteld dat die geit wel eens zwanger kon zijn.” klaagde hij. “Ze hebben haar natuurlijk stiekem bij de bok gedaan!”
Ik bescheurde het bijna, maar hield me in.
“Ja man, d’r worden er zoveel bij de bok gedaan die het zélf helemaal niet door hebben.” Merkte ik quasi droog op. Waterig kijk hij me aan.
“Dan zullen we binnenkort ook wel weer een babyboom kunnen verwachten”, was z’n onbewust scherpe antwoord. “Maar wat moeten we nu aan met de geit? Moet er een dokter komen, zal ik kraamhulp bellen? Heb jij “potentouwtjes en een knuppeltje”?”
Eerlijk gezegd moest ik aan de conference van Paul van Vliet denken. “Dat zijn de leuke dingen veur de mens. Je lâcht je te bârsten”.
“Kom nou maar,” trachtte ik hem te sussen, “we gaan er eerst eens gewoon kijken hoe het met de jonge aanstaande moeder gaat, daarna zien we wel wat er verder nodig is.”
Toen we bij het hok kwamen lag de geit klaar wakker met naast haar twee kerngezonde lammetjes. Hij kon echt z’n ogen niet geloven.
“Hips!” bracht hij uit van verbazing en de alcohol, “Wie heeft dat nu weer gedaan?”
“Die geit natuurlijk,” zei ik, “wat dacht je dan?”.
Wazig keek hij mij aan en zei, “Ik dacht van de bok”.
Zijn vrouw loopt ook nog op “alle dagen”.
’t Zal mij benieuwen!