Zonder nagedachtenis


Geen gedenkteken op die plek
Waar het grootste leed geleden is
Geen kruis ter nagedachtenis
Aan Hem die droeg alle zonden
Trouw door ons zo zwaar geschonden
Gevoel en schuldbesef was ons gebrek

Een Koning hier gehangen aan het kruis
Een Wereldvorst zonder zichtbaar macht
Die ons het woord van verlossing bracht
Uit liefde voor Zijn schepping wilde lijden
Tot in het diepst der hel wilde strijden
Ook ons roept Hij eens gereinigd thuis.

Nieuwe morgenstond


Stil als toen ligt het veld die nacht
Nergens vind men schapen of herder
Geen ster schijnt helder of zacht
Ook langs de oude stal trekt ieder verder.

Vergeten de tijd van engelenzang
Geen ster die ons de weg zal wijzen
Het duister maakt ons angstig, bang
Op Golgotha zien wij drie kruizen rijzen.

Een stem roept ons daarheen te komen
Te zien het kwaad door ons geschied
Het leed waar wij nu aan ontkomen
Door ‘t Kind, gehangen als een bandiet.

Dan schuilt de zon en scheurt het kleed
Werpen wij ons in schuld ter aarde
En rouwen om ons eigen fout en leed
Wat niemand nog op tijd ontwaarde.

En achter Golgotha rees de morgenstond
Een helder licht bescheen de aarde weer
Verdreef het duister van gewijde grond
Glorie straalde van de opgestane Heer.

Einde van de weg terug


Liep in gedachten de weg terug
Die ik eens was gekomen
Overzag de tijd als smalle brug
Tussen nu en mijn oude dromen.

Ik zag de sporen waar ik was gegaan
Zag hen die mij waren ontvallen
Plaatsen waar tijd leek stil te staan
Als aandenken aan allen.

Op één plaats was ik nooit geweest
Toch leidde steeds de weg daarheen
Gewezen door de Geest
En bracht mij bij een afgewentelde steen.

Meest intense bede


Wij zien U gaan, de weg van ’t lijden,
De weg waarvoor U op aarde kwam
U als gevangene kwam ons bevrijden
Vrijwillig lijdend satans macht ontnam.

Een spotkleed om Uw schouders gelegd
Geslagen, bespuugd en gehoond
Hebt tegen Uw spotters geen woord gezegd
Al werd U bespot, met doornen gekroond.

Gehangen aan dat kruis met spot overladen
Sloeg U in gena Uw ogen op hen
En bad; “Vader vergeef hen hun daden
Mijn hart breekt, omdat Ik hen ken.”

Gelijk gesteld


De plek waar ik nu vogels hoor zingen
Het licht van de zon zo helder schijnt
De wereld vol vreugd en blijde dingen
Maar toch mijn stemming in teneur kwijnt.

Daar hoor ik stilte na ruwe kreten
Daar heerste angst voor het brute geweld
Daar werden zij van ‘d onschuld verweten
Waarom ook Hij eens werd terecht gesteld.

Hartgrondig vervloekte ik hun daden
Zij waren beesten geen mensen meer
Totdat een stem mij vroeg te beraden,
“Ben jij zoveel beter, ben jij soms meer?”

Ik heb mijn handen gevouwen tot gebed,
Mijzelf daar tussen die beulen gezet.

Gedenken en denken

Cross against a sunset background

Sta stil op de plek waar ik nu vogels hoor zingen
het licht van de zon zo helder schijnt
nu lijkt de wereld vol vreugd en vrolijke dingen
waarom dat mijn stemming in teneur toch kwijnt

nog hoor ik de stilte tussen ruwe kreten
voel kilte in beweging van van snauwend geweld
tegen hen die van onschuld verweten
als Één van hun Groten eens terecht gesteld

en in die gedachten toen ik daar stond
hoorde ik in mijn binnenste de vragen
of ik mijzelf soms beter dan die beulen vond
NEE, maar toch hoor ik nog dat weeklagen.