Mijn eenzame weg naar Emmaüs


Zwijgend in gedachten loop ik het pad
peinzend over al mijn zonden
eenzaam en in rauw gevat
daar ik mijn Heiland niet heb gevonden
in koud en donker graf
waar ik Hem voor het laatst wilde eren
omdat Hij mij zoveel liefde gaf
maar nu moest ik Hem ontberen.

Een vreemdeling kwam naast mij lopen
en sprak over hetgeen was geschied
zei dat ik niet moest wanhopen,
maar wat Hij zei, ik begreep Hem niet.
Toch waren Zijn woorden mij zo bekend ,
kwam Zijn blik mij zo helder voor ogen
maar door verdriet was ik overstemd,
herkende Hem niet in mijn onvermogen.

Gedachten aan Bethlehems stal


De nacht was stil, de herders waakten
een ster stond helder aan de lucht
Engelen zongen, mens en dier ontwaakten
de wereld slaakte een verlichte zucht
De heiland was hen nu geboren
daar in die kleine Bethlehems stal
Engelenbazuinen lieten het horen
dat Hij eens Israëls Koning wezen zal.

Reeds toen duurde de vrede slechts even
Herodes vreesde voor Zijn macht
hij ontbrandde in een vruchteloos streven
heeft de kinderen in Bethlehem omgebracht
Hij wilde toen reeds Jezus doden
was slechts op eigen eer en roem gericht
duldde geen andere koning der joden
maar ontving toen van de wijzen dat bericht.

Al heel snel was die stille nacht vergeten
Die nacht daar in Efraïms stille veld
Niemand wilde meer van het wonder weten
Door de engelenkoren toen verteld
Jezus werd verguisd, gehoond, gepest
al stond men door Zijn wonderen versteld
werd Hij weer door de farizeeën getest.

Jezus bracht niet wat men toen verwachtte
Hij was niet de aardse koning in Israël
En al speelde men toen met die gedachte
Hij weigerde en waarom? Dat weten wij nu wel
Maar de mensen waren toen “des duivels”
want Koning Jezus deed niet hun wil
hun verontwaardigde reacties waren hels
doodden Hem aan ’t kruis, nu is deze zaterdag zo stil.

Onaardse gaven


U hebt belooft dat ook ik mag komen
Op Uw eeuwig durend feest
Aan de dis waarvan wij alleen kunnen dromen
Maar zoals nog nooit op aarde is geweest

U hebt ons genodigd als voorname gasten
Aan te zitten aan Uw liefdesmaal
En zelf hebt U ons de voeten gewassen
Als dienend voorbeeld voor ons allemaal

Zelf hebt U de beker ons aangereikt
Gevuld met Uw vergoten kostbaar bloed
De schaal brood, met Uw geest verrijkt
Met Uw dood hebt U voor onze zonden geboet

Het licht verkondigt de victorie


Een heuvel staat in duister
uitzichtloos het veld rondom
zonder glorie of luister
slecht stilte heerst alom

geen licht kan dit tafereel bereiken
geen geschiedenis vertelt het verhaal
donker van de nacht blijft de dag bestrijken
gehuld in goddelijk zwijgen allemaal

het Licht lijkt in de aarde opgesloten
verzegeld met een steen voor het graf
door verkeerde geesten uitgestoten
veroordeeld zonder schuld verraderlijk laf

als in rouw scheurt in de tempel het kleed
de hemel treurt om zijn Heer
die op aarde voor onze zonden leed
omdat wij niet luisterden naar Zijn leer

maar straks toont daar in het Licht
die heuvel de volle roem en glorie
als daar drie kruizen in het zicht
vanuit geopend graf verkondigen de victorie.

Kruis, verticaal, horizontaal…


Het kruis, afschuw der gelovige zielen
werelds symbool van vervloeking en lijden
uit verleden duister, sombere tijden
toen wij onwetend tot zonde vervielen

onze Heer hebben we gehoond, geslagen,
gemarteld, aan schandelijk kruis gehangen
terwijl ook wij naar bevrijding verlangen
eeuwig leven na de dood Hem steeds vragen.

Dat vreselijk kruis, afschuw voor alle mensen.
Het teken, aard en hemel opnieuw verbonden,
symbool van macht, gena en vredeswensen.

Teken waar wij Gods glorie en liefde vonden,
waaraan het onbegrijpelijke is volbracht
een einde maakte aan de eeuwige nacht.

Ook ik was daar


Ook ik was daar slapend
in de hof van Gethsemane
heb mij niet gewapend,
waakte niet met mijn Heiland mee.

Ik ben gevlucht
door angst bezeten
en heb verzucht,
niets van Hem te weten.

En voor ’t Sanhedrin
durf ik niet te pleiten,
stond ik bevreesd achterin,
voelde slechts zelfverwijten.

Maar van ‘t kruis op Golgotha
zag Hij vol liefde op mij neer,
zei; “Ik maak plek naar waar ik ga,
zie ook jou daar dan weer”

Er schijnt een helder licht


Donker was de afgesloten grafspelonk
waar wij verdrietig rouwend stonden
en Hij lag die de bittere beker dronk,
die vrijwillig boette voor onze zonden.

Afgesloten was onze toekomst en hoop
gestorven aan het kruis op Golgotha
nu staan wij hier in schuld en wanhoop
geen uitzicht meer op liefde en gena.

Een grafsteen scheidt ons van Zijn licht
Romeinse wachters houden ons tegen
Gods Gena schijnt zich tegen ons gericht
met die ene steen sloot Hij alle wegen.

Maar plots uit de hemel een helder licht
en de wachters vallen als levenloos neer
Gods Zoon werd uit de doden opgericht
uit het graf schijnt helder ‘t leven weer.

Opgericht aan het open graf


Diep moeten wij buigen voor Uw graf
Te zien het licht dat daaruit straalt
Zagen slechts windsel dat U omgaf
De steen voor de opening gehaald.

Diep moeten wij buigen voor Uw gena
Vergiffenis die U zo rijkelijk schonk
Want nog horen wij vanaf Golgotha
Vader vergeef hen deze bittere dronk.

Diep moeten wij buigen aan Uw voet
Wenend om wat wij hebben gedaan
Dan horen wij Uw stem zo zoet;
“Kom, u mag met Mij zijn opgestaan.”

Honderd procent genade


Verdwaast stond ik te staren
naar Hem daar aan dat kruis
was Hij niet die ons beloofde
bevrijding en een veilig huis.

Nu hing Hij daar gestorven
gelijk die zondaars neven Hem
bleven wij als wezen achter
zonder Zijn troostende stem.

En bij Zijn laatste woorden
verdween ook al onze hoop
toch zag ik door het duister
dat van het schandelijk kruis
gena, vergeving en liefde droop.

Een graf vol licht


Een graf ademt de geur van dood,
van angst, van rotting en bederf,
van ziekte, lijden en stervensnood,
aardse weg van ondergang en verderf.

Toch heb ik van een graf gehoord,
waaruit helder licht kwam schijnen
een Man, wiens handen doorboord.
Dood kon Hem niet weg doen kwijnen.

Hij kwam buiten in het volle licht,
terwijl de engelen voor Hem bogen
heeft Hij zich tot de mens gericht,
en hem vergeven vol mededogen.

Op een morgen was Zijn graf open,
de steen weggerold voor het graf,
kwam als overwinnaar buiten lopen,
de verslagen dood ontgaat geen straf.

Niet meer een donker dodenrijk
als toekomst voor de mens zo zwart.
Zelfs satan nam voor Hem de wijk.
Voor Hem die alle zorg en ellende tart.

Vuile handen


Ik heb niet mijn handen gewassen in onschuld
aan mijn handen kleeft nog steeds Zijn bloed
om voor Hem te strijden ontbrak mij de moed
ook dat ik bij Hem behoor heb ik niet onthuld

toen Hij mij aanzag heb ik mijn ogen neergeslagen
ja ik heb Hem zelfs verloochend en verraden
en nooit heb ik Hem gediend door mijn daden
hoe zou ik Hem nu om vergeving durven vragen.

Gelukkig heb ik mijn handen niet gewassen
of gereinigd van mijn smaad en schuld
nog steeds kleeft aan mijn handen Zijn bloed

maar tegen Zijn liefde ben ik niet opgewassen
Hij blijft van mij houden in eindeloos geduld
en juist mijn vuile handen zeggen, het is goed.

Waren mijn zonden de spijkers in Uw handen?


Waren mijn zonden de spijkerss in Uw handen?
Was ik het Heer, die U dreef naar Golgotha?
Was ik het die U voeten bond met banden?
Heb ik, in vele zonden, verbruid voor Uw gena?

Ik was het niet, die voor Uw vrijheid vocht.
Voor Uw onschuld heb ik niet ingestaan.
Toch was U het die míjn vrijheid kocht.
Dus mocht ik door Úw lijden verder gaan.

Maar telkens weer werd ik door eigen schuld
gewezen op Golgotha, dat ruwe kruis
waar U mij aanzag en vergaf in eindeloos geduld.

U waste mij van zonden door Uw lijden en sterven,
leidde mij dwars door geopend graf naar huis,
waar ik een plaats in Uw Vaders liefde mag erven.

De Koning nadert


De dagen naderen dat Hij zich Koning zal tonen,
de vijand zal buigen, enkel voor Zijn macht,
dan zal Hij weer Davids paleis gaan bewonen
slechts door één woord, dat is wat heel Israël verwacht.

De Romeinen zullen worden verslagen en verdreven,
hun legers slaan massaal op de vlucht,
Israëls rijk en Davids troon zullen weer herleven,
het juk verdwijnt waaronder het land thans zucht.

Straks treed de Koning binnen door Jeruzalems poort
met feestgedruis en enthousiast ontvangen
gezeten op een jonge ezel zoals dat hoort
heel het volk juicht en loopt mee vol verlangen.

Maar ziet, de Koning huilt en hoor Hem klagen
over Jeruzalems vreselijk einde en lot,
ook nu het volk Hem naar binnen wil dragen,
Hij is geen Koning, slechts dienaar van God.

De dagen naderen dat Hij de stad verlaat
omringd door mensen die Hem niet als Koning vragen,
slechts beschimpt met smaad en haat
en zal Hij zelfs een kruis moeten dragen.

De dagen naderen dat Hij zich, de Grote Koning, toont,
niet om Zijn volk van aardse vijand te bevrijden,
maar dat Hij ieder die Hem trouw betoont
als ’t goede graan van ’t kaf zal scheiden.

Drie maal


Hij stond te warmen bij het vuur,
’s morgens reeds in ’t vroege uur.
Dacht dat niemand hem zou zien,
of zou herkennen daar, misschien.

Een maagd keek hem doordringend aan
en vroeg; “Heb jij niet bij Hem gestaan?”
Hij antwoordde; “Hoe kom je er bij?”
Maar, ’t voelde hem echt niet blij.

Een ander meisje kwam, zag hem staan.
En ook die keek hem terzijde aan.
“Ik ken je, ook jij was daar in die hof”
“Ach mens, ik ken Hem niet”, zei hij grof.

De derde dienstmeid zag hem staan.
“Ja waarlijk, ook jij komt daar vandaan.
Ook jij hoort heus wel bij Hem.
Ik herken je werkelijk aan je stem”

“Ik mag, weet-niet-wat, zo ik die mens ken.
Denk je nou echt dat ik zo simpel ben?
Je zou je de ogen uit je hoofd schamen,
als je jullie beweringen zou beamen.”

Drie maal kraaide op dat moment de haan.
Jezus keerde het hoofd en keek hem aan.
Beschaamd heeft hij het hoofd gebogen
en is vol berouw toen weggetogen.

Drie maal heeft de haan toen gekraaid,
voor dat Jezus zich heeft omgedraaid.
Drie maal zondigen was slechts even.
En drieduizend maal heeft Jezus vergeven.

Wie was die mens, die toen daar stond?
Daar ’s morgens in de vroege ochtendstond.
Was het één van Jezus’ discipelen wellicht?
Ik kon moeilijk zien, er was zo weinig licht.

Heb jij die Mens daar ook zien staan?


Heb je die mens daar ook zien staan?
Hij zei niets, keek je alleen maar aan.
Alleen zijn ogen spraken genoeg
en toonden alle verdriet dat hij droeg.
Heb jíj die mens daar ook zien staan?

Heb je die mens daar ook zien staan?
Hij stond daar, niemand trok Zijn lot aan.
Zijn ogen vroegen begrip voor zijn verdriet.
Is er niemand die zijn onschuld ziet?
Heb jíj die mens daar ook zien staan?

Heb je die mens daar ook zien staan?
Zien staan daar voor zijn plagen?
Ben jíj niet naar hem toe gegaan?
Durfde je niet naar zijn rechten vragen?
Heb jíj die mens daar ook zien staan?

Heb je zijn stille klacht ook gehoord?
En, heb jij toen ook stil gezwegen?
Gezwegen, het hoofd gebogen zonder woord,
omdat je eigen schulden zo zwaar wegen.
Zég, heb jíj die mens daar óók zien staan?

En……., wat deed jíj daar aan??

Ook ik heb die mens zien staan.
Ook naar mij heeft hij omgekeken.
Ook ik ben niet naar hem toe gegaan,
en ben niet voor zijn zorgen bezweken.
Ja, ook ík heb die mens zien staan!

Ook ik heb die mens zien staan,
maar dacht; “Moet ik dan voor hem zorgen?
Hij kan zijn eigen weg toch gaan?”
Mijn angsten, voor zijn vervolgers verbor¬gen
en….., beschaamd ben ik weggegaan!!!

Já….., ook ík heb die mens daar zien staan,
en……, ook ík heb níéts gedaan!!!