Opgericht aan het open graf


Diep moeten wij buigen voor Uw graf
Te zien het licht dat daaruit straalt
Zagen slechts windsel dat U omgaf
De steen voor de opening gehaald.

Diep moeten wij buigen voor Uw gena
Vergiffenis die U zo rijkelijk schonk
Want nog horen wij vanaf Golgotha
Vader vergeef hen deze bittere dronk.

Diep moeten wij buigen aan Uw voet
Wenend om wat wij hebben gedaan
Dan horen wij Uw stem zo zoet;
“Kom, u mag met Mij zijn opgestaan.”

Honderd procent genade


Verdwaast stond ik te staren
naar Hem daar aan dat kruis
was Hij niet die ons beloofde
bevrijding en een veilig huis.

Nu hing Hij daar gestorven
gelijk die zondaars neven Hem
bleven wij als wezen achter
zonder Zijn troostende stem.

En bij Zijn laatste woorden
verdween ook al onze hoop
toch zag ik door het duister
dat van het schandelijk kruis
gena, vergeving en liefde droop.

Een graf vol licht


Een graf ademt de geur van dood,
van angst, van rotting en bederf,
van ziekte, lijden en stervensnood,
aardse weg van ondergang en verderf.

Toch heb ik van een graf gehoord,
waaruit helder licht kwam schijnen
een Man, wiens handen doorboord.
Dood kon Hem niet weg doen kwijnen.

Hij kwam buiten in het volle licht,
terwijl de engelen voor Hem bogen
heeft Hij zich tot de mens gericht,
en hem vergeven vol mededogen.

Op een morgen was Zijn graf open,
de steen weggerold voor het graf,
kwam als overwinnaar buiten lopen,
de verslagen dood ontgaat geen straf.

Niet meer een donker dodenrijk
als toekomst voor de mens zo zwart.
Zelfs satan nam voor Hem de wijk.
Voor Hem die alle zorg en ellende tart.

Vuile handen


Ik heb niet mijn handen gewassen in onschuld
aan mijn handen kleeft nog steeds Zijn bloed
om voor Hem te strijden ontbrak mij de moed
ook dat ik bij Hem behoor heb ik niet onthuld

toen Hij mij aanzag heb ik mijn ogen neergeslagen
ja ik heb Hem zelfs verloochend en verraden
en nooit heb ik Hem gediend door mijn daden
hoe zou ik Hem nu om vergeving durven vragen.

Gelukkig heb ik mijn handen niet gewassen
of gereinigd van mijn smaad en schuld
nog steeds kleeft aan mijn handen Zijn bloed

maar tegen Zijn liefde ben ik niet opgewassen
Hij blijft van mij houden in eindeloos geduld
en juist mijn vuile handen zeggen, het is goed.

Waren mijn zonden de spijkers in Uw handen?


Waren mijn zonden de spijkerss in Uw handen?
Was ik het Heer, die U dreef naar Golgotha?
Was ik het die U voeten bond met banden?
Heb ik, in vele zonden, verbruid voor Uw gena?

Ik was het niet, die voor Uw vrijheid vocht.
Voor Uw onschuld heb ik niet ingestaan.
Toch was U het die míjn vrijheid kocht.
Dus mocht ik door Úw lijden verder gaan.

Maar telkens weer werd ik door eigen schuld
gewezen op Golgotha, dat ruwe kruis
waar U mij aanzag en vergaf in eindeloos geduld.

U waste mij van zonden door Uw lijden en sterven,
leidde mij dwars door geopend graf naar huis,
waar ik een plaats in Uw Vaders liefde mag erven.

De Koning nadert


De dagen naderen dat Hij zich Koning zal tonen,
de vijand zal buigen, enkel voor Zijn macht,
dan zal Hij weer Davids paleis gaan bewonen
slechts door één woord, dat is wat heel Israël verwacht.

De Romeinen zullen worden verslagen en verdreven,
hun legers slaan massaal op de vlucht,
Israëls rijk en Davids troon zullen weer herleven,
het juk verdwijnt waaronder het land thans zucht.

Straks treed de Koning binnen door Jeruzalems poort
met feestgedruis en enthousiast ontvangen
gezeten op een jonge ezel zoals dat hoort
heel het volk juicht en loopt mee vol verlangen.

Maar ziet, de Koning huilt en hoor Hem klagen
over Jeruzalems vreselijk einde en lot,
ook nu het volk Hem naar binnen wil dragen,
Hij is geen Koning, slechts dienaar van God.

De dagen naderen dat Hij de stad verlaat
omringd door mensen die Hem niet als Koning vragen,
slechts beschimpt met smaad en haat
en zal Hij zelfs een kruis moeten dragen.

De dagen naderen dat Hij zich, de Grote Koning, toont,
niet om Zijn volk van aardse vijand te bevrijden,
maar dat Hij ieder die Hem trouw betoont
als ’t goede graan van ’t kaf zal scheiden.

Drie maal


Hij stond te warmen bij het vuur,
’s morgens reeds in ’t vroege uur.
Dacht dat niemand hem zou zien,
of zou herkennen daar, misschien.

Een maagd keek hem doordringend aan
en vroeg; “Heb jij niet bij Hem gestaan?”
Hij antwoordde; “Hoe kom je er bij?”
Maar, ’t voelde hem echt niet blij.

Een ander meisje kwam, zag hem staan.
En ook die keek hem terzijde aan.
“Ik ken je, ook jij was daar in die hof”
“Ach mens, ik ken Hem niet”, zei hij grof.

De derde dienstmeid zag hem staan.
“Ja waarlijk, ook jij komt daar vandaan.
Ook jij hoort heus wel bij Hem.
Ik herken je werkelijk aan je stem”

“Ik mag, weet-niet-wat, zo ik die mens ken.
Denk je nou echt dat ik zo simpel ben?
Je zou je de ogen uit je hoofd schamen,
als je jullie beweringen zou beamen.”

Drie maal kraaide op dat moment de haan.
Jezus keerde het hoofd en keek hem aan.
Beschaamd heeft hij het hoofd gebogen
en is vol berouw toen weggetogen.

Drie maal heeft de haan toen gekraaid,
voor dat Jezus zich heeft omgedraaid.
Drie maal zondigen was slechts even.
En drieduizend maal heeft Jezus vergeven.

Wie was die mens, die toen daar stond?
Daar ’s morgens in de vroege ochtendstond.
Was het één van Jezus’ discipelen wellicht?
Ik kon moeilijk zien, er was zo weinig licht.

Heb jij die Mens daar ook zien staan?


Heb je die mens daar ook zien staan?
Hij zei niets, keek je alleen maar aan.
Alleen zijn ogen spraken genoeg
en toonden alle verdriet dat hij droeg.
Heb jíj die mens daar ook zien staan?

Heb je die mens daar ook zien staan?
Hij stond daar, niemand trok Zijn lot aan.
Zijn ogen vroegen begrip voor zijn verdriet.
Is er niemand die zijn onschuld ziet?
Heb jíj die mens daar ook zien staan?

Heb je die mens daar ook zien staan?
Zien staan daar voor zijn plagen?
Ben jíj niet naar hem toe gegaan?
Durfde je niet naar zijn rechten vragen?
Heb jíj die mens daar ook zien staan?

Heb je zijn stille klacht ook gehoord?
En, heb jij toen ook stil gezwegen?
Gezwegen, het hoofd gebogen zonder woord,
omdat je eigen schulden zo zwaar wegen.
Zég, heb jíj die mens daar óók zien staan?

En……., wat deed jíj daar aan??

Ook ik heb die mens zien staan.
Ook naar mij heeft hij omgekeken.
Ook ik ben niet naar hem toe gegaan,
en ben niet voor zijn zorgen bezweken.
Ja, ook ík heb die mens zien staan!

Ook ik heb die mens zien staan,
maar dacht; “Moet ik dan voor hem zorgen?
Hij kan zijn eigen weg toch gaan?”
Mijn angsten, voor zijn vervolgers verbor¬gen
en….., beschaamd ben ik weggegaan!!!

Já….., ook ík heb die mens daar zien staan,
en……, ook ík heb níéts gedaan!!!

Hoe verder ná Pasen?


Zullen wij weer net als “De Kerststal”
straks het open graf vergeten
maken wij niet meer een knieval
doen wij of wij van niets weten

vergeten wij het kruis op Golgotha
en laten het graf gesloten
denken niet aan vergiffenis uit gena
en hebben deze periode afgesloten

willen wij de Tuinman niet zien
daar in Arimatea’s hof
draaien we Hem de rug toe misschien
geven God geen eer en lof

wìllen wij Hem op weg naar Emmaüs kennen
of sturen Hem als vreemde heen
puur omdat wij aan Zijn opstanding niet wennen
en laten Hem als in het graf ook nu alleen.

Dán is Pasen voor niets geweest
en gaan wij zonder toekomst verder
komen niet aan in het hemelsfeest
het feest van onze Herder.

Goede vrijdag


Wat is vandaag die druk die ik voel
onzekerheid en vreemd verlangen
waarheen loopt mijn weg zonder doel
nu mijn Koning en Herder is gehangen.

Doelloos dwaal ik verloren rond
ver van vaderhuis en van vrinden
als verloren zoon ben ik verdwaald
die het rechte pad niet weer kan vinden.

Mijn Hoop mijn Heiland is gestorven
men heeft Hem in een graf gelegd
een Mens zo goed zo onbedorven
werd toch beschuldigd, zo onterecht.

Handen vol wonden


Alle dagen,
hebben weer hun vragen,
moeilijkheden en zorgen, Heer.
Daarom komen we tot U, telkens weer.
Laden al onze zorgen en zonden,
in Uw handen, vol met wonden.
Wonden, die ook ik U sloeg,
zonder dat U genade vroeg.
Ook ik ben schuldig aan Uw sterven.
Toch, mag ik Heer, een plaats werven,
U neemt ook mij op in Uw huis.
Ondanks mijn schuld en kruis.
Wil U toch steeds al onze zonden,
nemen in Uw handen, vol met wonden.
Wast in Uw bloed ons vrij van ‘t kwaad.
In Uw bloed, door ons vergoten,
wast U ons van smaad.

Gloed van de derde morgen


Ik heb gekeken over ’t duin naar ‘t water
Dat bruisend golvend over ruime zee
Door vele schepen jaren reeds bevaren
Vanuit Hollands havens tot de horizon
Daar bleef ik peinzend in gedachten staan

En vreemde vogels vlogen over ’t water
Ook hemelhoge wolken zag ik zweven
De woorden mengden zich met ’t zout der zee
Tot aan de kim verwaaiden mijn gedachten
En roerloos starend bleef ik daar staan

Als antwoord kwam aan verre einder
Een prachtig zacht getinte rode gloed
Gedachten namen mij mee naar ’t licht
Dat nieuwe tijden zal beschijnen
Vanaf die derde dag daar ver over zee.

Eerste stappen naar het kruis


Een weg zo zwaar en lang
en Jezus was zo bang.
Zo bang voor spot en lijden.
Zijn Vader kwam niet bevrijden.
Zijn elf apostelen waren zo moe.
Door slaap vielen hun ogen toe.
De vijand kwam reeds nader.
Jezus bad; “Uw wil geschiede Vader”

Hij was daar zo eenzaam en alleen.
Slechts was de stilte om Hem heen.
Stilte vol zwijgen en gevaren.
stilte vol angst zonder bedaren.
Satan leek zijn slag te slaan.
Jezus gaf hem zelfs ruim-baan.
Zijn dienaar was Jezus’ verrader.
Jezus bad; “Uw wil geschiede Vader”

Met velen kwamen ze Hem halen.
Angstig voor de wondere verhalen,
die over Hem werden doorverteld,
kwamen zij met grof geweld.
Hoe anders was Jezus reactie toen;
“Judas, verraad je Mij met een zoen?”
Vandaar kwam Jezus’ kruisdood nader.
Jezus bad; “Uw wil geschiede Vader”

Heillicht


Stel mij voor steeds meer vragen,
voor de dagen zonder inzicht
steeds meer in hoop vervagen
punt waarop ik aandacht richt.

Slechts zoeken blijft mij beschoren
vanuit onbestemd doelloos heil
in godverlatenheid verloren
stort ik in afgrond zonder peil.

Boven mij een brandende zon
waar ik geen schaduw vind
geen put waaruit ik drenken kon
verstoken van verkoelende wind.

Zie toch belofte vanuit groene aarde
een steen wijkend van de duisternis.
Licht, meer dan materiële waarde
daar waar ‘t donkere graf geopend is.