Ik sta en zie


Ik sta hier midden in de wereld en zie
zoveel verdriet rondom mij gebeuren
rampen oorlogen of gewoon ruzie
er valt zoveel ziekte en leed te betreuren.

Ik zou willen helpen waar ik kan helpen
overal noden en ellende weg te nemen
verdriet en pijnen liefdevol te stelpen
vreugd te schenken in plaats van problemen.

Toch is er niet enkel rampspoed en verdriet
nog steeds is de wereld schepping van God
en enkel dood en droefenis duldt Hij niet
Zijn maaksel laat Hij niet over aan het lot.

Zijn tijden komen en Zijn tijden gaan
wij zien het in wisseling der seizoenen
hemellichamen die trekken hun eigen baan
teveel wonderen en schoonheid om te noemen.

En ik sta hier midden in de wereld en zie
Zijn almacht groot en wonderlijk schoon,
Zijn wegen en plannen die ik niet doorzie,
maar wel sta ik hier als Zijn scheppingskroon.

Herfstoverdenking

In ’t herfstbos denk ik na
Waar ik eens mij laatste rustplaats vind
Daar onder de eiken of de beuken
Of ergens in het vrije veld

Ach, de herfst stemt tot mijmeren
Als geen vogelzang nog klinkt
En door dorre kale takken
Slechts een waterig zonnetje blinkt
Of uit grauwe somber wolken
Tranen parelen door het dorre hout

Toekomst lijkt alleen te richten op de winter
Zal daar ook mijn laatste rustplaats wezen
Onder die serene witte deken

Maar nee, laat die plek nog jaren wachten
Een steen is immers snel genoeg gezet

Ergens in het verleden


Ergens in ’t verleden,
ligt de vergetelheid,
waaruit herinneringen treden,
van lang vervlogen tijd.

Ergens in ’t verleden,
Waar ons bestaan begon,
Tot aan ons dagelijks leven,
Beschenen door de levenszon.

Ergens in ’t verleden,
Moet ’t lot eens zijn beslist,
Waarvoor mensen streden,
Zonder dat men rede wist.

Ergens in ’t verleden,
Ontstond ’t goed en kwaad,
Tussen normen, waarden en zeden,
Waar ’t om het leven gaat.

Ergens in ’t verleden,
Koos men een ander pad,
Dan welke werd betreden,
Men voordien gekozen had.

Ergens in ’t verleden,
Is, misschien, iets verkeerd gegaan,
Iets, waaronder allen leden,
Waardoor wij ’t heden niet verstaan.

Ergens in de toekomst,
Ligt er een nieuwe leus,
Die aan de mensen toekomt,
Bij ’t kiezen van de goede keus.

Keizers kleding


Het spiegelbeeld waarmee ik mijzelf spiegelde
Gaf niet het beeld wat ik mijzelf voor ogen hield
Voor anderen was het, het tegengestelde
Het heeft mijn vertrouwen en eigenwaan vernield

Aan duigen ligt nu de glans van het spiegelglas
De werkelijkheid toont zich nu hard en wreed
Hoe men volgens waarheid is ontdekt men pas
Als men zich met “Keizers kleren” heeft gekleed

Dan blijkt het naakte uiterlijk in puur contrast
Gekleed in klatergoud te staan voor Jut en Jul
En blijkt transparantie vanuit binnenste gepast
En voor de rest vanbuiten slechts flauwe kul

Ik keer de spiegel waarin ik kijk nu dus om
Om naar een aangeklede nar te zien is dom.

Mijn wens


Zacht glijd ik door de wind
mijn vleugels ver gespreid
zoekend de drijvend thermiek
die mij stuwt naar hoogten
over bossen en bergen heen

die laat zweven over landen
over zeeën en blanke stranden
vliegend als de adelaar
langs ravijnen en kloven
hoogtes en dalen in het leven

en laat me landen daar
waar geen stormen woeden
slechts zacht een koele wind
kruinen van bomen doet wiegen
en leven alleen vrede vindt.

Twee oppermachten


Wat is een God, Zijn naam betekend liefde,
De schepper van al wat is en leeft
Die met Zijn geest het hemelruim doorkliefde
Aan ieder schepsel Zijn genade geeft

Hoe zou die God, die liefde is
Van Zijn schepselen dood kunnen vragen
Of vervloeken met hel en verdoemenis
En niet Zijn Eigen kinderen verdragen

Maar hier op aarde heerst Zijn antagonist
In vele vormen als dodelijk rivaal
Hij is de nietsontziende antichrist
Voor heel de schepping is hij fataal.

Stille prioriteiten


Vanaf het duin genietend van glinstering
over de rustige deining van de zee
wachtend, ja waarop, misschien herinnering
aan vervlogen tijden en hun wel en wee

dromerig starend naar overgang tussen lucht
en water waar mysteries zo talloos zijn
voorbij een horizon verder dan vogelvlucht
door avondrood in dalende zonneschijn

wakend dromen van wat het goede brengt
met die zachte deining van water over zee
in stille onuitgesproken hoop van vele mensen

wat zwakheid met moed en krachten mengt
of voert in stilte zoveel heimelijk mee
van nooit uitgekomen en verzwegen wensen.

Licht en schaduw


Mijn schaduw alleen getekend door ’t licht
in ’t schijnbeeld van mijn eigen wezen
niet anders dan door eigen zijn verricht
is ’t duister slechts bij lichte dag te lezen.

Hoe schril de tegenstelling van nacht en dag
de schijn van zon, de sterren en de maan
zo ook de tijden van verdriet en van lach
het feest van komen, de treurnis van gaan.

Zo loopt de mens in wankel evenwicht
tussen licht en duister in eigen spoor
naar welke zijde hij zijn schreden richt
dagen dat hij zichzelf vindt of ook verloor.