Wat was, wat is en wat wordt poëzie


Eens werd droom van vele mensen
sprookjes en rijmpjes genoemd
en dichters waren zweverige types
eeuwig tot zeuren verdoemd

dichten heeft nu nieuwe vormen
klinkt zwierig ook al is ’t niet op rijm
hoeft niet gebonden aan normen
kan ook gewoon een verhaaltje zijn

persoonlijk zie ik poëzie als mooie tuin
een vorm van eigen leven
meer een geordende wildernis
niet stijf waar bloemen staan is om ’t even

hoe poëzie zal worden blijft gissen
maar dat er dichters blijven is zeker
mensen die blijven dromen kan niet missen
of ik zal me wel heel erg moeten vergissen

Herinnering aan mijn polder


Meerdere malen dwaalt mijn gedachte
naar de polder waar ik ben geboren
waar ik door velden zwierf in ochtendgloren
de zon vanaf de horizon mij toelachte

dan zie ik witte wolken door blauwe lucht
herinner mij nog vage bossen langs de kim
een verre struik als een nevelige schim
hoor de weidevogels in hun ochtendvlucht

nog stijgt de zon daar dagelijks over velden
en is het gras er nog steeds even groen
veel heeft voor economie moeten ontgelden

het weidse uitzicht is niet meer zoals toen
weiden zijn doorsneden met wegen en spoor
en nergens ligt er stilte meer zo in ’t gehoor.

Driemaal Latijn


Die avond op dansles
weet je nog
niet te warm
zodat we dicht tegen elkaar
die roemba dansten
als zweefden we door
zaal en luchtledig
alleen gedachten bij elkaar
of in die tango
waarin onze benen
bijna verstrikten
omdat we alleen maar
oog hadden voor elkaar
en daarna chachacha
dat was voor die avond
nagerecht, dat was vla.

Daarna gingen we Rocken
door warmte steeds
verder uit elkaar
tot we elkaar niet meer zagen
en ik verlang nog
naar die drie
Latijn-Amerikaans.

Genieten van herinneringen


Hoe zou ik ooit kunnen vergeten
dagen die wij toen samen waren
hebben gesproken in ’t licht der zon
lachten tot ver in duistere nachten
vrijden tot volgende ochtend begon
tijden vol jeugd, liefde en dans

samen als verdwaasde lampreien
stoeiend en schaterend door weiden
zorgen waren enkel goed voor morgen
de dag van vandaag was voor ons alleen
horizon werd nergens onderbroken
was ruim vrij en onnoemelijk ver

nu zal ik nooit vergeten de dagen,
die we hier zitten voor ons huis in de zon
mijmerend over gesprekken die we voerden
gisteravond bij het licht van de lamp,
herinneringen van vroegere dagen
toen wij genoten van jeugd, liefde en dans.

Tijden verbergen


Zoveel hebben wij vergeten
is uit ons brein gewist
of willen gewoon niet weten
wat vroeger is beslist

tot wij oude gebouwen betreden
die ons naar ’t verleden brengen
en vragen dan naar de reden
dat wij weinig aan vroeger denken

of wij vinden die foto van een vriend
die wij zolang reeds hebben verloren
die achteraf toch niet heeft verdiend
dat wij niets van ons lieten horen

dan denken wij aan verborgen tijden
die wij bewust of onbewust
uit onze gedachten mijden
te gemakkelijk in slaap hebben gesust

Eva


Slank als een hinde
haar ogen amandelen
bruin geroosterd
haar ravenzwarte haar
tot over de schouders
sensuele mond
steeds gevormd
tot flauwe glimlach
een figuurtje
één en al élégance
bewegingen gracieus
als een hert.

Eva?

Ik weet niet
hoe ze heette
maar voor mij
was ze de eerste vrouw
op aarde
en ik heb haar
nooit weer gezien.

Maar ik ben
Adam dan ook niet.

Herinneringsemotie


Gedachten die hem vrolijk maakten
aan gebeurtenissen van toen
een glimlach om zijn lippen toverden
herinnering weerkaatsend in zijn ogen

stil mijmerend om die woorden
gesproken vriendelijk en teer
een hand strelend over zijn wangen
hoort hij in melancholie nog weer

een zachte stem alleen voor hem
alsof een harpsnaar werd beroerd
een zuivere heldere toon.

Maar waarom die tranen?

Kortende dagen


Langzaam zak ik weg
in dromen van de tijd
dat is toegestaan
op mijn leeftijd
liefst voor knappende haard
met m’n oude hond
gelegen op m’n voeten
alles nog mogen
en niets meer moeten

het fonkelend rood glas
draaiend in mijn handen
wijl in vlammen staren
laat ik gedachten gaan
over voorbije jaren
nog levend in de waan
midden in de tijd te staan
dat wij “piep” waren
tijd die ons was voorbij gegaan.

Dat nostalgische pad


Nog eens loop ik door die laan
aan weerszijden eiken en beuken
en aan het eind die poel
met rietkraag omgeven
dikwijls zijn wij hier saam gegaan.

Daar tussen ’t riet aan de oever
stond dat bankje waarop wij zaten
dicht bij elkaar
genietend van stilte
we hoefden niet te praten.

Nu groet ik een jong paartje
die gearmd door het laantje gaan
ze knikken op mijn groet
en glimlachen
ze hoeven niet te praten.

Herinneringen aan de mooiste uit mijn klas


Je donker bruine ogen
vergeten zal ik ze nooit
ik zie je ravenzwarte haren
nog wapperen in de wind
je volle lippen die ik proefde
achter het fietsenhok

wandelingen door het park
mijn arm stevig om je heen
jouw geur die mij prikkelde
samen zittend op een bank
’s avond in de herfstschemering
en ik je dicht tegen mij aantrok

we zijn elkaar uit het oog verloren
misschien ook beter zo
beiden zijn wij geverfd door de jaren

misschien is het goed
dat ik je herinner zo je was.

Slootjespringen


Nog zie ik voor me die sloot
Die eerste sloot waar ik
Ooit in ben gesprongen
Belandde in de modder tussen kroos
Terwijl links en rechts kikkers zongen

Niet verder dan halfweg
Ben ik naar de andere kant gekomen
In het ijskoud drabberig water
Slechts in tweemaal bereikte ik de overkant
In eenmaal lukte me veel later

Nu is het slootje gekrompen net als ik
Slechts nog een greppel vol drab en slik
Maar ook nu zal ik de sprong niet wagen
De overkant bereik ik niet in één keer
En in twee keer zal ’t ook wel niet slagen.

Relativerend verleden


In waas die hangt over velden
als grauwsluier uit verleden tijd
komen vaag herinneringen boven
in kleuren vertellend hoe wij
het verleden eens beleefden.

Zien wij boven nevelige sluiers
maanlicht aan voor zonneschijn
en jeugd van toen als pubers staan
veel warmere dagen dan in ‘t heden
nachten vol zinderende romantiek.

Maar nevel hangend over velden
en grauwsluiers uit verleden tijd
tekenen slechts herinneringen
vertelt ons hoe verleden schijnt
en in ‘t heden nu zo pijnlijk schrijnt.

Nacht


Als zacht de nacht ontwaakte
met maneschijn en twinkelende ster
boerennachtegaal kwaakte
laatste klokken beierden van ver

verstomde mechanisch geweld
en aan de kim verdwenen laatste stralen
verstrijkende uren werden geteld
een oude man vertelde zijn verhalen

stil zat men bijeen bij lamplicht
en werd het grote boek geopend
met woorden als van een gedicht.