Hooglied 2010


Kom dan waar je denkt dat ik je zoek
door de paden tussen bloemen
adem de geur van rozen en lavendel
zie de reine kleur van lelie en jasmijn
voel de warmte van de zomer.

Kom baden in mijn tuinfontein
in de vijver tussen de vissen
het koel verfrissend bruisend water
laten we samen dartelen door golven
ons wentelen als speelse dolfijn.

En drogen wij daarna op het gazon
door wind en zon dicht bij elkander
zodat onze adem zich vermengt
de handen elkaar kunnen omvatten
ogen in elkaars diepte verzinken.

Aanbidding vn de muze


Als een schim zag ik je reeds van verre komen
zag je schoonheid, hoorde je welluidend lach,
wonderbaarlijke schoonste uit al mijn dromen
je bent nog mooier dan ik jou voor het eerst zag.

O wat een geluk dat ik jou beminnen mag
wandelen door de velden, bos en over hei
samen genieten van stralende zomerdag,
paarse kleur, een heideroos, een zoemende bij.

Door groene veld tussen lammeren in de wei
langs de rivieren met hun oevers wuivend riet
voel ik mij slechts gelukkig met jou aan mijn zij
wordt ik geprikkeld tot vrolijke zang en lied.

Je bent en blijft voor mij toonbeeld van bevrijden,
Muzelief, blijf mij mijn levenlang geleiden.

Dat eerste bosje rozen


In ritme van seconden
zal mijn hartslag hoorbaar slaan
net als toen we elkaar vonden
zal ik ook nu weer voor jou staan.

Met blosjes op mijn wangen
en tranen in mijn oog
tracht ik de rede op te vangen
wat jou voor mij bewoog.

’t Was niet mijn schone aanschijn
mijn gestalte als een atleet
volgens mij moest ’t wel zijn
’t bossie rozen dat ‘t ‘m deed.

Één keer voor altijd gelijk


Zacht strijkende winden over kabbelend water
zie ik jou liggen aan goudgeel strand
bruinend jou ronde lijnen
je ogen dicht, genietend van zonneschijn
snoof de geur van je odeur
zag vredige voldoening op je gezicht
in glimlach als toen je jong was
en ik dacht; Wat ben je nog mooi.

Je bent nog steeds dat meisje wat ik leerde kennen
toen je daar zat op die achterste rij
en als je me zag zo heerlijk ging blozen
ik dacht; Zij is voor altijd van mij.

Één van duizend nachten


Schrijven van mijn hand
zoekt bevend de lijnen
die ik zou lopen door schaduw
van lommerrijke lanen
beschenen door maanlicht

omfloerst door kransen
van kleuren besprenkeld
met sterrenlicht
fonkelend door tere lover
inspirerend tot gedicht

en in heldere beken
sprankelende weerschijn
van nachtelijke romantiek
spiegel uit “Duizend en één nacht”
in een hemelbed.

Dieper verlangen

Zou je woorden willen peilen
inhoud van je lieve lach
in spiegels van je ziel zien
hoe jouw gedachten zijn voor mij
je verlangen bij mij blijven
samen als één maar toch vrij.

Delen onze mening tussen
overeenkomst of verschil
niet wegen op een wegschaal
aanvaarden elk zijn eigen gewicht,
zonder eigenbelangen door te slaan,
in een alles bevrijdend licht.

In de vensters van jouw binnenste
schoon gewassen door je tranen
wil ik jouw verdriet en vreugde lezen
in je heldere ogen bijgelicht
dan zal ik zien de warmte van je hart
en bewaren als dit gedicht

Hartstocht tot het uiterste

bride-3034400__340

Ik wil mij dompelen in hartstocht
dansen door jouw rozentuin
fluiten als merel in een eikenkruin
heel mijn ziel is aan jou verkocht.

Zwemmen in het water van jouw vijver
als een vis springen over ’t oppervlak
in een zwembroek, of een badpak
gedreven in ontoombare nijver.

Wees mijn nimf, mijn zeemeermin
laat je haren golven in het water
wijs mij niet af als ik jou bemin.

Luister stil als ik in de bomen zing,
bij mij weggaan kan nog altijd later
zie mij, voor ik uit die boom spring.

Maan- en sterrenromantiek

Heb je de knipoog gezien

van de volle maan

voor hij verdween

achter wolken

en komt zo nu dan spontaan

weer door de spleten heen

om dan heel misschien

zijn liefde te vertolken

voor jou als op de aard

dat kleine stralende sterretje

heb je mijn knipoog gezien

bij heldere volle maan

voor jou kwam ik in ’t volle licht

achter de wolken vandaan

en zag je het papier

daarop schreef ik dit gedicht

in ‘t fonkelend sterrenlicht

met maannachtwoorden

die ik heb bewaard

voor jou, mijn sterretje op aard.

Schone muze


Mijn muze ik wil je aan mijn zij niet ontberen
Jij bent de inspiratie van stem, mijn lach, mijn zang
Uit jouw stem kan ik steeds weer de woorden leren
Jouw uitstraling en liefde is waar ik naar verlang

Ach, blijf schoonheid in het ritme van mijn gedicht
En schenk ‘t metrum van je melodieuze stem
Zweef door mijn brein als schone vlinder vederlicht
Met jouw ideeën zo lieftallig en adrem

Als vogelzang hoor ik jouw wonderschone lach
Ik zie je figuur als een heldere fontein
Je slanke taille zo ik bij geen vrouw ooit zag
Ja heel mijn leven wil ik enkel bij jou zijn

O schone muze, elke dag dat ik jou bemin
Geeft mijn leven als een zonnestraal weer zin.

Ten tijde van Edmund Spencer 1552-1592


Hoelang was ik steeds bereid voor u te strijden
in aanbidding voor uw charme en uw ogen
doch steeds liet u mij door uw afwijzing lijden
toch werd ik elke keer tot u aangezogen.

Wellicht weert gij mij door mijn gering vermogen
kunnen mijn liefdeswoorden u niet bekoren
ik bid u mijn aanwezigheid te gedogen
niets liever wens ik dan uw zoete stem te horen.

Reeds vormen zich op mijn gelaat diepe sporen
door louter droefenis en van vele tranen
enkel tot u wil mijn hart zich toebehoren
dan zou ik mij ten zevende hemel wanen.

Laat mij in mijn verdriet hier niet stil verkwijnen
schenk uw hand dan zal mijn droefenis verdwijnen.

Bonte ontmoeting


Door een laan met berken
zie ik je komen aan het begin
langzaam en voorzichtig
treed jij daar mijn leven in.

Door die laan met vele berken
zacht beschemerd door het loof
mocht ik het eerst bemerken
dat ik werkelijk in jouw liefde geloof.

In die laan met mooie bonte berken
kwam ik je hollend te gemoed
bleven in het midden staan luisteren
door een bonte specht begroet.

Lang geleden (Spencersonnet)


Gedachten doen mij naar ’t ver verleden dromen
herinneringen aan jouw lach en schone jeugd
hoe graag laat ik die tijd weer tot mij komen
en mijmer over lieven minnekozen en deugd.

Doch tijd, d’ illusie van vervlogen vreugd,
heeft ons getekend tot het beeld van heden
dat slechts op verre toekomst zich verheugt
en liever niet meer denkt aan ver verleden.

Toch droom ik hoe ik jou toen heb aanbeden
en raak jou beeltenis uit die tijd niet kwijt
maar jij hebt mijn adoratie toen vertreden
de diepe pijn daarover voel ik nog altijd.

Maar ’t is slechts een zeer vage herinnering
ik heb liefde gevonden die jou ver verving.

Mijn levend gedicht


Gedichten zeggen woorden als gefluister
Van wind die mild het ritselend blad beroert,
Begrip van streling, liefdevolle luister,
Bij naderen zacht de ziel en ’t hart ontroert.

Als uitzien over velden groen smaragd
En geeft als spiegelend gladde zee de rust
Of klinkt als vogelzang in boom en struik zo zacht,
Een bruisend deinende branding aan vlakke kust.

Zo luidt jou roep als engelenzang in d’ oren
Jouw lach als echo schalt door berg en dal
Je stem, welluidend genot om aan te horen
Is, als ik ’t zou ontberen, nooit vergeten zal

Jouw woorden zijn als gedichten gefluister
’t Geluk waar ik liefdevol steeds weer naar luister.

Ode aan de rode roos


Gewoon een rode roos zegt zoveel woorden
een schone bloem ontsproten uit goede grond
geschenk waar hart of gevoel geen uiting vond
maar toch zo menig mens in liefde bekoorden.

Een brug van hart tot hart, jij vormt de band
gesmeed voor liefde, passie vol verlangen
wat geld noch goud ooit één keer kan vervangen
je bent een liefdesgift voor d’ hoge stand

Je bloem een droom, je kleur is als robijn,
in tuinen sta je fleurig boeiend aan struiken
als geurige ruiker in warme zonneschijn

een weldaad in elke hoek je geur te ruiken.
Nogal prikkelbaar ben je van je aard
je doornen hebben menig vrijer bezwaard.