Wat doet ’t er toe

Sneeuw in de bossen
Strabrechtse Heide

Bergen zal ik niet meer beklimmen
dichte oerwouden niet doordringen
over oceanen vaar ik niet meer
zeeën kan ik niet meer beteugelen.

Over werelden kan ik niet vliegen
landen bezoeken gaat niet meer
stil kan ik nog zitten mijmeren
genietend van landschap en winterweer.

Een ouder, een zorg


Spiegelglas vertelde mij
waarheid van het leven
mijn oogopslag zo vrij
heeft geen dag teruggeven.

Mijn hoofd nog fier geheven
mijn hand nog vast en sterk
toch niet meer zo bedreven
in alledaagse noeste werk.

Niet gelaten wil ik mij geven
aan gemijmer of gedachten
maar actief wil ik nog leven
met afleiding pijn verzachten.

Gooi spiegelglas aan scherven
aanschouw de realiteit
mijn leven wil ik niet bederven
door zelfbeklag of andere futiliteit.

Overtuiging en principe


Ik heb de druk ervaren
Van leven met ziekte en pijn
En vraag me af waarom
Al weet ik zeker
Dat ik nooit een antwoord zal krijgen
En accepteer ook niet
Dat het eigen schuld zou zijn

Maar dat ze aangedaan zouden zijn uit liefde
Is wel de meest menselijke fout
Er zijn veel meer besturende factoren
Die ons naar twijfelen leiden

Het enige dat me zekerheid geeft
Is het vasthouden aan mijn overtuiging

Helaas de leeftijd…


Wat zou ik graag nog eenmaal
daar lopen langs de rivier met jou
genietend van watervogels en planten
in alledaags landschap
met koeien, kalveren, paarden
of schapen in de wei

wijzend naar vissen in het water
kijkend naar vogels in de lucht
tussen verschillende vormen wolken
dikwijls denk ik daaraan met een zucht
armen geslagen om elkaars schouder.
Jammer, helaas worden we ouder.

Ervaren


Zwijgzaam staren in gedachten
hunkeren naar die tijd terug
naar de jonge onbezorgde jaren
was het beter, de tijd ging zo vlug,
in de toekomst wacht onzeker
wat komend lot ons brengen zal
maar nooit zal tijd weer keren

hoe lang duurt de toekomst nog
lang genoeg om in te keren
zonder somberheid of spijt
geen illusies meer te maken
delen ervaringen met wie wil
rusten na verdiende dagen
mijmerend, zwijgzaam, stil.

Blik naar voren


Daar ik niet terug kan of wil
over jaren die ik ben gelopen
mijn blik voorwaarts richt
en stil blijf hopen
op nog gelukkig vergezicht
zal ik niet blijven staan
noch omzien naar die dagen
dat ik niet gelukkiger was
noch was ik ongelukkiger

iedere tijd heeft zijn vreugd
kent ook zijn verdriet
jaren tellen op en tellen af
we kunnen niet blijven hangen
dat wat ons toen beviel
kunnen we niet terug vangen
daarom leg ik mij neer
bij tijd die mij verliet.

Realisme


Zacht vervagend licht
schijnt aan de einder
kleurt het avondrood
over velden trekt de nevel
de nacht opent haar schoot

melancholie beklimt mij
bij afscheid van ’t licht
als de zon verdwijnt
vraag ik mij af
of hij ook morgen schijnt

bij ’t zacht vervagend licht
in het zicht van witte nevel
rijst bij mij de twijfel
in een wankel evenwicht.
Mijn dagen korten in.

Jong bejaard


Eens was ik nog jong en onervaren
En wist niet wat ik worden zou
Nergens zag ik nog gevaren
Altijd scheen de zon en de lucht was blauw

En steeds verlang ik nog terug naar die jaren
Zo onbezorgd vrolijk en vrij
Nog niet bezig met kapitaal vergaren
Gewoon in ’t leven, vogelvrij

Thans heb ik vele jaren achter mij gelaten
En heb ervaringen opgedaan
Al mijn zwoegen mocht niet baten
Altijd is de lucht nog blauw
En de zon daar blijven staan

Gewoon nog jong


Als het mijn leeftijd is
wat mij mankeert
is er niets aan de hand
maar de letters in de krant
worden steeds vager
ik moet vaker naar de WC
naar de brievenbus
duurt wat langer,
ik ga niet meer zo ver van huis,
’t verkeer wordt alsmaar drukker,
er komt zoveel herrie op straat
men wordt steeds gehaaster.
Wat er is met de maatschappij?
Óf… zou ’t aan m’n leeftijd liggen?

Jeugdraadsel


Schiderrij van Hans Versfelt

Dromerig staart ze weg
waarover, waarheen
schoonheid bestraald door licht
glans van jeugd
op haar gezicht
haar geheim bewaart
door haar afwezig staren

het is de jeugd
die haar nog onschuld geeft
in stil afwezig zwijgen
nu zij nog die schoonheid heeft
en dromerig staart
waarheen, waarover?

Gestage tijdstroom


Tijden nemen mij mee
in hun stroom
zacht laat ik me drijven
tussen oeverloos lijden
en stroomversnellingen van feest

gestaag glijden de oevers
mij onttrekkend
aan het oog der vogels
die azen op mijn hart
langs water dat mijn brein ontwart

en aan het eind der stroom
beland in eindeloze zee
vermenigvuldigd met gelijken
dansen wij verheugd
vrij van horizon tot horizon.

Relativiteitsgedachte


Vele luchten heb ik gezien
evenals zo vele dagen
en steeds leek dezelfde zon
weer ander licht te geven
‘t blauw was even dikwijls
anders dan voordien

geen winter had dezelfde sneeuw
of ijslaag op het water
nooit was de lente even zacht
lammeren gelijk en vrolijk
bloemen en bloesem gelijk
in hoeveelheid en van kleur.

Bleef toch de wereld niet
zoals ze altijd was geweest
maar was ’t slecht mijn jeugd
die voorbij was gevlogen
als zucht van morgen- tot avondrood
en zal ik als eendagsvlieg sterven.

Gewoon de doorgaande tijd

Senior couple in park on Sunday walk.

De bomen hangen wat zwaar
bladeren verschieten van kleur
bloemen lijken mistroostig
en de wegen glimmen.

Dieren schuilen wat verder weg
vogels trekken naar ’t zuiden
mensen duiken dieper in hun jas
maar de wolken breken.

Flauw zonnelicht schijnt door ’t bos
geruisloos gaat de wind liggen
gekleurd blad valt naar de grond
de stilte wordt intens.

Geuren vullen weer het woud
het jaar is weer en maandje ouder
zoals ook de mens de jaren voelt
als zijn leeftijd door zijn leden woelt.