Relativiteitsgedachte


Vele luchten heb ik gezien
evenals zo vele dagen
en steeds leek dezelfde zon
weer ander licht te geven
‘t blauw was even dikwijls
anders dan voordien

geen winter had dezelfde sneeuw
of ijslaag op het water
nooit was de lente even zacht
lammeren gelijk en vrolijk
bloemen en bloesem gelijk
in hoeveelheid en van kleur.

Bleef toch de wereld niet
zoals ze altijd was geweest
maar was ’t slecht mijn jeugd
die voorbij was gevlogen
als zucht van morgen- tot avondrood
en zal ik als eendagsvlieg sterven.

Gewoon de doorgaande tijd

Senior couple in park on Sunday walk.

De bomen hangen wat zwaar
bladeren verschieten van kleur
bloemen lijken mistroostig
en de wegen glimmen.

Dieren schuilen wat verder weg
vogels trekken naar ’t zuiden
mensen duiken dieper in hun jas
maar de wolken breken.

Flauw zonnelicht schijnt door ’t bos
geruisloos gaat de wind liggen
gekleurd blad valt naar de grond
de stilte wordt intens.

Geuren vullen weer het woud
het jaar is weer en maandje ouder
zoals ook de mens de jaren voelt
als zijn leeftijd door zijn leden woelt.

Zicht op verleden


Stil gaan de beelden voorbij uit het verleden
een leven lang van uur tot uur, dag tot dag
regelmaat van de klok met een traan of lach
trekken langzaam één lange rij tot op heden

en zwijgend denkend aan die tijden van toen
toen jeugd en toekomst nog volop naar ons lachten
overvallen mij soms sombere gedachten,
vragen of ik het allemaal nog zo zou doen

ik wist niet beter, ‘t waren andere tijden
dagelijks heb ik gewoon mijn plicht gedaan
zo goed mogelijk mij aan mijn taak te wijden

bij andere aanpak heb ik nooit stil gestaan
ik ben tevreden over wat ik heb verricht
nimmer waren mijn daden destructief gericht.

Maandag, marktdag


Boven het geroezemoes van de markt
beierde het carillon hoog in de toren
kooplui prezen hun waren in de kraam
voddenman op klompen riep om lompen
ergens hoorde je paard en wagen gaan.

Daartussen liepen wij als boeffies
verstoppertje spelend tussen de kramen
of hielpen de groenteboer samen
z’n handkar duwen tegen een hoge brug
kwamen met rode koppen en appel terug.

Maar net op tijd haalden we de school
om braaf in leerboeken te verdiepen
dat daar iets van kwam was “Apenkool”
niemand die zich nog concentreren kon
op de markt hoorden we nog ’t carillon.

Einde van de dans

Als een blad ben ik neergedwarreld
in een hoek, ergens waar de wind
geen vat meer op mij had
en ik rustig in kan slapen.

Ergens tussen kleurrijk verdoolden
in een windvrije hoek
waar we vredig samenschoolden
en schaduw vonden bij elkaar.

Daar, waar wij als bladeren dansten,
over velden, door de straten,
zijn wij vergeten en verlaten,
zijn eindelijk op bestemming aangekomen.

Jeugdige ouderdom


Gisteren kwam ik weer langs die bloemenwei
waar wij in het warme voorjaar speelden
en dacht, wat is dat allemaal lang voorbij
ook dat wij samen daar die dropjes deelden.

De tijd gaat in ons leven toch zo razend snel
amper kunnen wij van jeugd nog te spreken
dagen van ons goede doen verdwijnen in een tel
komen we in ouderdom gevuld met gebreken.

Maar jaren is slechts tijd gevuld met leven
als ze ook werkelijk energiek worden benut
’t zij in jong of bij ouderdom is ‘t om ’t even
raak ook niet bij ieder wissewasje in de put.

We worden ouder


Over witte serene velden
hoorde ik bronzen klokken
als stemmen van heel ver
over de verstilde landerijen
met boerenhoeven her en der.

Zag het gekrookte riet
langs bevroren water
en de berijpte bomen staan
en besef pas nu veel later
dat ook die tijd is voorbij gegaan.

Sta nu stil op de brug te dromen
starend over ’t kabbelend vlak
wat eenden bijeen op een stam
nog mijmerend over vroeger
en tijd die mij mijn jeugd ontnam.

Geen sombere herfst


In steeds korter wordend licht der dagen
van het schone kleurende herfstgetij
zoek ik dikwijls antwoord op mijn vragen
waarom nu juist droefheid zo groeit in mij

konden wind en buien mij behagen
genoot ik eens van nevels op de hei
nu is mijn stemming zwaarmoedig dragen
zijn mijn dagen niet van somberen vrij

zie nu af en toe de zon nog rijzen
boven bergen van ellende en pijn
en vraag waar de jaren gebleven zijn

mijn spiegelbeeld zie ik steeds vergrijzen
naar verleden richt zich opnieuw mijn brein
toch mag ik mijn geluk nog dagelijks prijzen.

Droom in ’t heden


Ik heb mijn dromen behouden
zoals ik ze in mijn jeugd ook had
vol hartstocht en verlangen
als ik een schone stil aanbad.

Mijn ideaal mag nu dan anders zijn
gedachten zwerven meer naar verten
in passieve aanwezigheid van het brein
’t verlangen kent zijn grenzen.

Verleden had zijn eigen keus
eigen zicht op toekomst op ’t nu
en heeft de hartstocht ingedamd
niet getemperd tot slechts heden.

Genieten van het leven


Over kale vlakten heb ik gelopen
door dichtbegroeide wouden ben ik gegaan
op veel stille plekken ben ik blijven staan
steeds bleef ik op een nadering van je hopen.

Door de steden met drukte van het leven
genietend van een wereld vol vertier
of langs stromende schuimende rivier
op alle plekken stond ik soms even.

Denk niet meer aan al die vergane tijden
over die vlaktes loop ik lang niet meer
ook die dichte wouden zal ik verder mijden
zet mij liever aan stil helder water neer.

Blijf toch kijken naar drukte van ’t leven
ook al sta ik aan de zijlijn opgesteld
ben nu door vrolijke jongeren omgeven
nee, mijn zijn is nog lang niet uitgeteld.

Samen oplopen


Ik heb je gevraagd om samen op te lopen
zomaar een eindje door weiden en veld
praten over vandaag en gisteren of iets
wat ons morgen te wachten zal staan.

Ook jij had wel behoefte samen op te lopen
te praten over wel-en-wee over wat je zo
dagelijks beleefde over klein geluk of
misschien ook groot verdriet.

We zijn toen samen op dat bankje gaan zitten
ergens langs dat pad om even de benen te
strekken wat je als oudere af-en-toe moet doen
en we spraken af wat vaker samen op te lopen.