Blik naar voren


Daar ik niet terug kan of wil
over jaren die ik ben gelopen
mijn blik voorwaarts richt
en stil blijf hopen
op nog gelukkig vergezicht
zal ik niet blijven staan
noch omzien naar die dagen
dat ik niet gelukkiger was
noch was ik ongelukkiger

iedere tijd heeft zijn vreugd
kent ook zijn verdriet
jaren tellen op en tellen af
we kunnen niet blijven hangen
dat wat ons toen beviel
kunnen we niet terug vangen
daarom leg ik mij neer
bij tijd die mij verliet.

Realisme


Zacht vervagend licht
schijnt aan de einder
kleurt het avondrood
over velden trekt de nevel
de nacht opent haar schoot

melancholie beklimt mij
bij afscheid van ’t licht
als de zon verdwijnt
vraag ik mij af
of hij ook morgen schijnt

bij ’t zacht vervagend licht
in het zicht van witte nevel
rijst bij mij de twijfel
in een wankel evenwicht.
Mijn dagen korten in.

Stille liefde


Als geluiden niet worden gehoord
geen woorden storen in stilte tussen jou en mij
maar samen schoonheid zien in onze ogen
in vibrerende eenvoud van zwijgen
en handen samengevat over tafel in licht
dat schijnt op gezichten weerkaatst in ons oog
die spreken woorden genoeg.

Niet alleen geluk ook verdriet in jaren ervaren
vriendschap of wrok begrip en onbegrip
uiteindelijk comprimerend onze grenzen
geen scheiding bepalend leven met en voor elkaar
niet sudderend geen stilstand blijven in hoop
dat betere tijden weer zullen keren steeds zijn
voor elkaar ook al valt dat niet mee.

Jong bejaard


Eens was ik nog jong en onervaren
En wist niet wat ik worden zou
Nergens zag ik nog gevaren
Altijd scheen de zon en de lucht was blauw

En steeds verlang ik nog terug naar die jaren
Zo onbezorgd vrolijk en vrij
Nog niet bezig met kapitaal vergaren
Gewoon in ’t leven, vogelvrij

Thans heb ik vele jaren achter mij gelaten
En heb ervaringen opgedaan
Al mijn zwoegen mocht niet baten
Altijd is de lucht nog blauw
En de zon daar blijven staan

Gewoon nog jong


Als het mijn leeftijd is
wat mij mankeert
is er niets aan de hand
maar de letters in de krant
worden steeds vager
ik moet vaker naar de WC
naar de brievenbus
duurt wat langer,
ik ga niet meer zo ver van huis,
’t verkeer wordt alsmaar drukker,
er komt zoveel herrie op straat
men wordt steeds gehaaster.
Wat er is met de maatschappij?
Óf… zou ’t aan m’n leeftijd liggen?

Jeugdige overmoed


Ik bouwde een huis van steen
met één deur en geen ramen
een huis van enkel muren
waar niemand binnen kon gluren.

Ik bouwde een huis van hout
met kieren tussen planken
zonder meubels of bed
zelfs geen ruwe banken.

Ik bouwde een huis van glas
waar doorheen zon kon schijnen
daarvoor een zonneterras
men zei dat ’t overbodig was.

Toen heb ik een huis gebouwd
van steen, hout en glas
met ramen en met deuren
en ben toen keurig getrouwd.

Herfst en Jacobsladders


Nooit wil ik het leven als herfst bezien
maar terug denken aan de zomer
of aan voorjaar met schat van bloemen
klanken van vogels in de bomen
en kan ik van warmte dromen
als ik vlinders zie en bijen hoor zoemen.

Ooit zal ik het leven als herfst bezien
maar ook dan de zonnestralen waarderen
tussen ’t gedempte licht gevat in vele kleuren
stralen die als ladders naar de hemel wijzen
om daar dan in gedachten misschien
engelen naar de hemel op zien rijzen.

Gestage tijdstroom


Tijden nemen mij mee
in hun stroom
zacht laat ik me drijven
tussen oeverloos lijden
en stroomversnellingen van feest

gestaag glijden de oevers
mij onttrekkend
aan het oog der vogels
die azen op mijn hart
langs water dat mijn brein ontwart

en aan het eind der stroom
beland in eindeloze zee
vermenigvuldigd met gelijken
dansen wij verheugd
vrij van horizon tot horizon.

Relativiteitsgedachte


Vele luchten heb ik gezien
evenals zo vele dagen
en steeds leek dezelfde zon
weer ander licht te geven
‘t blauw was even dikwijls
anders dan voordien

geen winter had dezelfde sneeuw
of ijslaag op het water
nooit was de lente even zacht
lammeren gelijk en vrolijk
bloemen en bloesem gelijk
in hoeveelheid en van kleur.

Bleef toch de wereld niet
zoals ze altijd was geweest
maar was ’t slecht mijn jeugd
die voorbij was gevlogen
als zucht van morgen- tot avondrood
en zal ik als eendagsvlieg sterven.

Gewoon de doorgaande tijd

Senior couple in park on Sunday walk.

De bomen hangen wat zwaar
bladeren verschieten van kleur
bloemen lijken mistroostig
en de wegen glimmen.

Dieren schuilen wat verder weg
vogels trekken naar ’t zuiden
mensen duiken dieper in hun jas
maar de wolken breken.

Flauw zonnelicht schijnt door ’t bos
geruisloos gaat de wind liggen
gekleurd blad valt naar de grond
de stilte wordt intens.

Geuren vullen weer het woud
het jaar is weer en maandje ouder
zoals ook de mens de jaren voelt
als zijn leeftijd door zijn leden woelt.

Zicht op verleden


Stil gaan de beelden voorbij uit het verleden
een leven lang van uur tot uur, dag tot dag
regelmaat van de klok met een traan of lach
trekken langzaam één lange rij tot op heden

en zwijgend denkend aan die tijden van toen
toen jeugd en toekomst nog volop naar ons lachten
overvallen mij soms sombere gedachten,
vragen of ik het allemaal nog zo zou doen

ik wist niet beter, ‘t waren andere tijden
dagelijks heb ik gewoon mijn plicht gedaan
zo goed mogelijk mij aan mijn taak te wijden

bij andere aanpak heb ik nooit stil gestaan
ik ben tevreden over wat ik heb verricht
nimmer waren mijn daden destructief gericht.

Maandag, marktdag


Boven het geroezemoes van de markt
beierde het carillon hoog in de toren
kooplui prezen hun waren in de kraam
voddenman op klompen riep om lompen
ergens hoorde je paard en wagen gaan.

Daartussen liepen wij als boeffies
verstoppertje spelend tussen de kramen
of hielpen de groenteboer samen
z’n handkar duwen tegen een hoge brug
kwamen met rode koppen en appel terug.

Maar net op tijd haalden we de school
om braaf in leerboeken te verdiepen
dat daar iets van kwam was “Apenkool”
niemand die zich nog concentreren kon
op de markt hoorden we nog ’t carillon.