Laatste kansen

Iedereen zeurt en klaagt
over weer en bar seizoen
kou en wind die vlaagt
men wil zomer overdoen

niemand die ziet
schoonheid van bomen
buiten komt men niet
men zit binnen
kleumen en dromen

maar ik trek er op uit
hoor de laatste vogelzang
en terwijl ik fluit
denk ik, hierop kan ik teren
een heel jaar lang

laatste zonnestralen
breken door ’t dorre hout
tegen kou kan ik me kleden
verder laat ’t weer me koud.

Positief in de morgen


Gedempt licht vertelt in de morgen
de jeugd van komende dag
die vrolijk zingend in de bomen
zijn ogen openspert.

De groene vlakte houdt nog verborgen
wat men in ‘t open veld niet zag
door sluiers die van het water komen
en omlijsten het concert.

Rustig trekt de nevel door de bossen
als zeilen tussen bomen door
houdt de paden nog in half duister
langs de struiken schemerlicht.

Dieren trekken zich terug in dekking
over hun vertrouwde spoor
die zij lopen als in zachte fluister
en verdwijnen uit het zicht.

In de morgen komt men tot de strekking
het belang van het vogelkoor
dat ieder steeds verblijdt met luister
op een dag in evenwicht.

Niet altijd blijft de lucht bedeekt


Lach de regen naar rivieren
waar het vermengt met eigen soort
in kolkend donkere stromen
als uit de wolken waar het viel.

Laat de zon schijnen op een zee
en meren waarheen de regen
is gestroomd en ook weer opstijgt
in warme gekleurde bogen

en zich uitspreid als een sluier
over de velden als een bruid
die lach terug kaatst naar de zon
vanaf sprankeling over zeeën.

Mijn jongensdroom


Je zat voor me in de klas
en je ravenzwarte haren
streken over mijn schrift
nooit heb ik mooier gedicht
op papier gezien

en als ik zacht je haar betastte
stiekem achter je rug
keek je om met zachte bruine ogen
waarin die glimlach
die ik nooit vergeten ben

denk je nog wel aan mij
die “pukkelkop” die achter je zat
waar je toen zacht tegen praatte
of is je herinnering aan mij
uiteen gespat als mijn droom

die dag dat ik je
het stadhuis zag betreden.

Gerijmde liefde


Noem zacht mijn naam als in droom
zoen mij teder op mijn wangen
voel de slag van ons hart synchroon
de klop van ons innerlijk verlangen

laat zacht omhelzend mij je liefde weten
fluister “Ik houd van jou” in mijn oor
nooit zal ik dat dan weer vergeten
’t klinkt als fragment uit ’t engelenkoor

sta, als ik thuis kom, op mij te wachten
en laat mij niet buiten in de kou
want de hele dag zijn mijn gedachten
alleen nog maar bij jou.

Geef mij wijsheid


Wijsheid dat leed verzacht
ik hoef geen kennis
kennis geeft slechts macht
macht geeft verdrukking
voor hen die men veracht

geef mij de wijsheid
die menselijkheid heet
steeds gedienstigheid
vol liefde en geluk
geen hoogmoed
of heerschappij
maar zachtmoedigheid

geef mij bovenal
blijdschap en vertrouwen
zodat ik U loven zal
als een onwetend kind
die zonder kennis
wijsheid door Uw liefde
op zal bouwen.

Hoopvol vooruitzicht in de herfst


De laatste bloem buigt nu haar kop
haar kleurrijk leven houdt nu op
de zon geeft nu niet meer de kracht
dood en verderf is aan de macht.

Ontloken eens uit tere knop
hief zij fier haar kelk op
nu is ’t of zij doelloos wacht
op eindeloze zwarte nacht.

Tot zij zich vlijt op kille aarde
strooit haar kracht die ze bewaarde
en straks na de zonnekeer
ontstaat het nieuw leven weer.

Staat daar haar trotse nageslacht
toonbeeld van schoon en pracht
hoop voor toekomst en leven
dat telkens nieuw wordt gegeven.

Najaarsdagen


Dat jij nu net mijn lievelingsseizoen moet zijn
door je kakelbonte kleuren en geuren van wijn
je lucht wisselend van Pruisisch blauw tot grijs
je stralende horizon in vroege ochtenden.

Na nevelig begin over bedauwde velden
en mistsluiers stijgend uit iedere sloot
diamanten kettingen in kunstige spinnenraggen
en door de bossen reeds de geur van dood.

Dat jij nu net mijn lievelingsseizoen moet zijn
strompelend als het jaar zijn laatste dagen
met al je kleuren en geuren mij steeds behagen
verkillend door geur van dood, verwarmend door wijn.

Paradijselijk vredesland


Nog licht ons hart de gloed der nacht
nog is ons brein slaapdronken
staat reeds de nieuwe dag op wacht
Zijn zon boven de kim te pronken
en wij, wij trachten de glorie te zien
die is beloofd in ver verschiet
overwinning van nachtelijk duisternis
de dag die eeuwig zonneschijn biedt
in paradijselijk land waar vrede is.

Herfstmuze


Mijn muze ik roep je op nu te ontwaken
En wekken het smeulend vuur in mijn brein en hart
Mijn klachten wenden tot positieve zaken
En leid mijn gedachten af van leed en smart

Zie toch mijn muze hoe ik blind loop te dwalen
Door doolhof van klanken muziek en fantasie
Ach muze wil nu toch niet langer meer dralen
Ik verwacht ieder moment dat ik je weer zie

Of zul je geheel uit mijn dromen verdwijnen
En mij hier achterlaten eenzaam als een wees
Die stil en droevig in een hoekje zit te kwijnen
Daar zonder jou geen enkele hoop meer rees

Toch hoor ik straks door wind in kalende bomen
Als jouw zachte zang van verre tot mij komen

Een mens


Nooit zal ik de mens begrijpen
Ook al ben ik er zelf één
Waarom steeds dat hebben en houden
Die afgunst en dat eeuwige verwijt
Altijd de één verheven boven de ander
Om elk bezit die eeuwige strijd

O, ik begrijp ’t best
Men wil de grootste wezen
Belangrijk door bezit en macht
Altijd vooraan, altijd beter weten
Nee ik begrijp het werkelijk niet
Uiteindelijk ben ik ook maar
…….een mens.

Overgang


Acht slagen in de ochtendstond
Een jonge dag is geboren
De kim wentelt zich in ochtendgloren
En gestaag vordert de tijd
In rijen van minuten en uren
Terwijl het zonlicht steeds verder verbreid
Over akkers en groene velden

De hemel kleurt azuren blauw
Waar witte schapenwolken weiden
Overal zweven herfstdraden
Parelend door druppels van de dauw

’s Avonds kleurt de horizon in avondrood
En hier en daar gaan sterren schijnen
En het veld hult zich weer in nevel
De natuur maakt zich op voor de herfst
En zal morgen veld en bossen schilderen
De klok slaat weer acht en voort gaat de tijd

Na mijn tijd


Waar zal de zerk staan
Waaraan ik heb gebouwd
Wat zijn dan nog de woorden
Die ik geschreven heb
Gesleten door erosie in weer en wind

Een steen, niet meer
Geen uitspraak van mijn denken
Mijn woorden vervlogen
Als de letters op die steen

Misschien dat slechts een enkeling
Zich afvraagt wie ik ooit was
Herinnerd door een kale steen
Ergens op een vergeten plek
In stilte waar men nog vogels hoort

Alleen zeker weten


Kan er meer zijn dan ik zie,
bomen, planten, bloemen,
rivieren, meren of de zee,
iets hoger dan de blauwe lucht?

Ja!

Bestaat er meer dan ik hoor,
ruisen van de wind,
zang van vogels in de bomen,
regelmaat van de golven?

Ja!

Is er meer dan mijn gevoel,
van verlangen om de liefde,
mijn vreugde van het zijn,
blijdschap door vriendschap?

Ja!

Wat is er meer nog dan geloof,
het zeker weten van gena
zonder dat ik zie of hoor
’t gevoel dat Hij naast mij staat?

Niets!