Inspiratiebron


Op zoek door droog dor land
geen schoon om te begeren
slechts hier en daar een plant
meest cactussen die ik wil weren.

Rotsen enkel onvruchtbare steen
hoorde alleen roek en kraaien
geen vogelzang, geen frisse wind,
geen bloemen die land verfraaien.

Vruchteloos lijkt al mijn zoeken
en alsof het licht verdwijnt
vormt schaduw donkere hoeken
waar laatste sprankje hoop nog kwijnt.

Maar langzaam schijnt de horizon
en straalt het veel belovend licht
vanuit een helder schijnende bron
ontstaat weer een nieuw gedicht.

Ruimer zicht


Over vlakke velden
of verre zeeën
tot aan de horizon
dwalen mijn gedachten
en voelen zich beperkt
door grenzen van gezicht.

Ach, kon ik daar ook zien
over de horizon,
de verre einder
nieuwe vlakke velden
nieuwe ruime zeeën
dan zie ik weer nieuwe kim.

Over de grenzen zijn
vlakke velden niet anders
deint de zee als overal
is einder ook oneindig
toch hoop ik daar te vinden
nieuw zien in ander licht.

Gevoelens


Brandende winden door lucht over water
loeiend als stormende eb en vloed
in golvende gevoelen van pijn en verzachting
vlammende hoogten en dalen tussen golven
af-en-toe zicht op ruisende velden met graan
en witte zeilen over blauwe meren
waar kabbelende golven hun ritme slaan
gedreven door getemperde lauwe bries.

Wachtend op avondstille verkoeling
van wind en brand langs randen van velden
en rusten langs zee op gouden stranden
niet meer voelend pijnen die zoeken verzachting
vlammen geblust en dalen geslecht
enkel witte zeilen over kabbelende golven
die ritme slaan tegen gestroomlijnde boeg
van schip dat zich laat stuwen door warme bries

Dagencyclus


Ontbrekend licht in nachten
en donkere schaduwen
zonder gezicht of vorm
zuchtend tot de ochtend
waarin duister weer zwicht.

Tot lijnen langs de horizon
die nachten weer breken
en dageraad vormt gericht
zichtbare rand en vormen
in langzaam reizend zonnelicht.

Zo volgen dagen nachten
beschenen door zon
sterren en door maan
zal ook het leven in gedachten
in duister en bij licht verder gaan

Vrije zwerver

Soms loop ik door de wereld als in dromen
Een wereldvreemde slaapwandelaar
Vraag me niet af waar ik uit zal komen
De ene keer kom ik hier de andere keer daar

Waar zal ik mij bevinden bij ’t ontwaken
Ergens in de bergen, tussen bossen of aan zee
Zolang ik niet in moeilijkheden zal geraken
Ga ik dromend voort, tree voor tree

Maar in deze vrijheid ben ik blij en gezond
Een opgewekte blije zwerver en flierefluiter
Zo zwerf ik in gedachten heel de wereld rond
Heel gewoon toch wel iets een vreemde snuiter

Dooreen lopend


Duidelijk tekenen schaduwen van bomen
hun leed af tegen het arme zand
als plat gewalste bloemen

water stroomt in brede geulen langs randen
waar dorstende aarde wacht
tot verzonken dorre hei

en wind strijkt over de golvende gele akkers
al spelend met toekomstig vallen
van overvloedig rijpend graan

beierend geven ginds de verre torenklokken
als roep vanuit ver verwijderde oorden
nieuwe tijden van een oud bestaan.

Elke dag in ’t leven


Mijn dagen zijn mij kostbaar
Nu mijn uren zacht heengaan
Tijden die ik draag in mijn hart
Vanaf mijn jeugd en kindzijn
Mijmerend tot het heden
Herinneringen uit tijden
Nog niet eens zo’n ver verleden
Als men de tijd in universum telt

Korte tijd is de mens beschoren
In een leven van stille aard
Dikwijls in eenzaamheid verloren

En ergens hangt de hoop
Dat toekomst eeuwig zal duren
Waarin vrede en liefde
Pijn angst en haat doen vergeten.

Omgang


Heeft het heil van ’t spreken jou gezadeld
Op ’t vurige hoogste en ‘t edelste paard
Ben je door je herkomst of stand geadeld
Of ben je meer door wetenschap vergaard

Wie onderscheidt jou van elk gewoon mens
Gekluisterd aan ’t leven en aan d’ aarde
Met ieder eigen gave en eigen grens
Niemand meer of minder gesteld in waarde

Waarom meerder over anderen wezen
In ijdele hoogmoed overal boven staan
Van je gezicht valt dikwijls al te lezen
Dat je lang niet met ieder om wil gaan

Kom laat je hart toch spreken en wees niet bang
Jouw vriendelijk wezen is in ieders belang.

Volgen van mijn hart


Mijn brein wil schrijven
Wat mijn hart mij zegt
Mijn gevoel niet zal storen
Mij niet van mijn weg doet wijken
En brengt in tuinen van ’t recht
Waar voelzangen mij bekoren

Mijn woorden wil ik voegen
In de ruimte die ik heb
Mij door hart en brein geschonken
Op paden waar ik mijn voetstap zet
Tussen zangen die er klonken
In schoonheid van de vogelkoren.

Warmen


Hoe koud het eenzaam hart dat niet meer slaat
voor medemensen met pijn leed en smart
niet voelt diens verdriet in hun lijdend hart
verblind slechts door zijn eigen wrok en haat.

Waar is gevoel dat hem verlaten heeft
hij kent geen tederheid bij dag of nacht
wellicht is er geen mens die op hem wacht
zelfs geen sterveling die hem liefde geeft?

Ergens is toch hij ook menselijk, zacht,
en hunkerend naar een liefdevol woord
dat begripvol met warmte op hem wacht,

hij in tijden van onrust steeds weer hoort
als vanuit sombere donkere nacht
het nieuw heldere ochtendlicht weer gloort.