In wijsheid zoeken


Ik heb het licht gezocht,
het licht, dat wijsheid heet.
Wijsheid die naar ’t geluk moet leiden,
vol van rijkdom en van overvloed.
Wijsheid die angst en armoe bestrijden,
in daden en in woordenvloed.
Die wijsheid moet de vrede brengen,
en oorlogen verbannen in de tijd.
Zal volken met elkaar vermengen,
en meningen aanvaarden zonder strijd.
Niet gevest in aardse rijkdom,
of in waardeloze aardse vinding.
Komt werkelijke wijsheid aan het licht.
In een vrijheid zonder binding,
enkel op de mens en God gericht.
Komt zelfs wijsheid in ‘t donker,
als een stralenkrans te staan,
aan een grauwe, troosteloze hemel,
in een regenboog van verdriet en traan
in een zeker zuiver weten
van het Goddelijk bestaan

Wat ons achter de horizon wacht


Als dagen mij te zwaar gaan wegen
En nachten mij te duister zijn
Geen bloemen staan langs mijn wegen
Glazen niet meer gevuld met wijn
Waar zal dan nog toekomst wezen
Wie biedt mij dan nog een helpende hand
En zal ik geen eenzaamheid hoeven vrezen
Of sta ik, zoals velen, doelloos aan de kant

Toch trekt mij nog de verre horizon
Waar immer de toekomst verder gaat
Duister verdwijnt nog voor de dag begon
En voor het oog de hemelse glans ontstaat
Geen goud of zilver, noch diamant of smaragd
Of andere aardse schatten en rijkdom
Hebben zoveel warmte en liefde ooit gebracht
Dan dit paradijselijk schitterend heiligdom.

Liefde


Het licht,
niet op te sluiten,
niet te verbergen,
dringend door wolkendek,
en door nevel,
niet alles ontsluierend,
maar aanzettend,
te zoeken naar elkaar !

De lucht,
over tot achter de horizon,
niet strak en blauw,
hier en daar, een wolk,
geen orkaan,
geen windstilte,
slechts een briesje,
gedreven naar elkaar !

De warmte,
geen hitte,
of ijzige kou,
niet dorst verwekkend,
niet schuilend in schaduw,
niet “bakken” in de zon,
maar gewoon,
omarmend, elkaar !

De zee,
groot en diep,
geen vlakte,
maar rusteloos,
geen stranden,
en geen oevers,
slechts een doel,
vrede bij elkaar !

De zon,
niet verzengend,
slechts verwarmend,
aanwezig, dag en nacht,
door aardse schaduw verduisterd,
garantie voor leven,
in liefde één verbinding,
God en mens, tot elkaar !

Feest zonde glitter


Er hoeft noch pracht noch praal
met woord of dienst verbonden.
In diamant robijn of edelmetaal
wordt niet het geluk gevonden.

Opgesloten tussen muren van goud
zelfs in de prachtigste paliezen
blijft liefde dikwijls kil en koud
ook al zal de mond U prijzen.

Slechts vanuit het oprechte hart
dat zingt vanuit een zuivere geest
geen goed met kwaad verwart
viert men oprecht Uw feest.

Naast mij


Toen ik eenzaam bleef staan
en kon alleen niet verder
niet wist waar ik heen zou gaan
leidde U mij als een herder.

Als een kind nam U mijn hand
sprak met troostende woorden
beloofde mij te leiden naar dat land
waar wij al zoveel van hoorden.

Blijf dan steeds naast mij lopen
zo U ieder mens hebt belooft
steeds blijf ik op Uw liefde hopen
heb met vertrouwen in U geloofd.

Er is een beweging


Er is een beweging op aarde.
Een beweging, getuigend van hoop.
Mensen die weten de waarde,
waarde, van geloof en doop.

Waarde, van eeuwige liefde.
Waarde van het eeuwige woord.
Liefde, die niemand ooit griefde.
Zij hebben van verlossing gehoord.

Verlossing, enkel door Jezus.
Door Zijn offer alleen gebracht.
Zo’n daad, getuigend van ontferming,
kan door geen mens zijn bedacht.

Ze blijven geloven in overtuiging,
tegen elke logica in.
Ze weten het heel zeker,
volharding heeft werkelijk zin.

Blijf hopen op eeuwige vrede.
Verwachtend, vergeving van schuld.
Vertrouwend, op Zijn kracht en rede.
Volhardend, in moed en geduld.

Er is een beweging op aarde.
Niet door mensen opgang gebracht.
Slechts zij kennen die waarde,
Vertrouwend, in zwakheid gehulde macht.

Nog kruis, nog graf, was Zijn einde.
Dat einde was enkel het begin,
van Zijn triomf en overwinning.
Daardoor leidt Hij ons ten hemel in

Een hand


Verlorenheid was wat ik voelde.
Eenzaamheid en diep verdriet.
Alsof verlatenheid door mij woelde,
een oog die geen toekomst ziet.

Een pijn die kliefde mijn hart.
Mijn handen met boeien gebonden.
Mijn hoofd bonzend van smart.
Zo had ik nergens rust gevonden.

Geen mens die zag ’t lijden.
Geen mens die dit begrijpen kon.
Nergens vond ik een bevrijden,
terwijl steeds meer strijd ontspon.

Maar in de diepte van mijn ellende,
voelde ik plotseling een hand.
Een stem die ik reeds zolang kende,
mij vrede bracht in hechte band.

“Zie, in Mijn hand staat geschreven,
jouw naam, onuitwisbaar vast.
Ook voor jou heb Ik Mij gegeven.
Ook van jou draag Ik de schuldenlast”.

Vastentijd


Hij liep veertig dagen door de woestijn
Heeft die voor ons gelopen
Leed daar verzoeking, honger, pijn
Nadat Hij zich als
Vaders zoon had laten dopen

Hij weerstond de verleiding van ’t kwaad
Leed meer ellende dan menselijk lijden
Gaf zich niet over aan satans verraad
Maar leerde hem op eigen terrein bestrijden

Heeft Hij dan ook van ons gevraagd
Die weg te gaan die Hij heeft gelopen
Immers niemand is daarin ooit geslaagd
Het enige wat Hij van ons verlangt
Is om ons in vertrouwen te laten dopen.

Vuur dat vuur blust


Als een brandhaard is soms het leven
Waarin je verschrompeld en verschroeit
Aangewakkerd door tegenwind
Laaiend door dorre oude takken
En geen brandwacht die komt blussen
Je voelt je als in eenzaam vuur

Slechts kan een diepere warmte bekoelen
Warmte met armen om je heen
Die brand de verzengende hitte
Tot een koele zachte bries en zet je
In vuur en vlam voor verdere levensduur

Ieder zijn waarde


Ik ben niet beter dan ieder ander, Heer
Maar voor U ben ik ook echt niet minder
Leer mij dat ik ook ieder mens waardeer
Of dat ik door eigen waan niemand hinder

Een ieder is geschapen naar Uw beeld
Elk mens met eigen gestalte en gave
Maar zelf hebben we ons in klassen verdeeld
En houden ons eigen bezit en have

Op Uw hele schepping Heer zijn wij de kroon
De parel en het pronkstuk van Uw hand
Uw aarde gaf U ons als dagelijks loon
Om die te bewerken gaf U ons verstand

Ook mij gaf U mijn deel, niet minder of meer
Waaraan ik weet, ik ben niet minder of beter Heer.

Droom


Ik droomde van een tuin vol bloemen
Vlinders en vogels vlogen er bij tal
En tussen planten hoorde je bijen zoemen
In het midden ruiste een blanke waterval

Vele paden leidden mij door perken met rozen
En schenen alle naar één kant te gaan
Ook ik heb daar een weg gekozen
Voor ik verwonderd in het midden van die tuin bleef staan

Daar stond een troon waarvan helder licht kwam stralen
En een warme stem sprak mij zo vredig aan
Kom verder Mijn zoon sta niet te dralen
Verwarm je in mijn licht voordat je verder zult gaan

En na dat ik ontwaakte in de morgen
Hoorde ik nog die zachte lieve stem
Kon ik weer verder zonder zorgen
Al mijn lasten liet ik achter bij Hem.