Levensbalans


Ik zoek balans tussen denken en doen
Het zeker weten van te zijn
Het geheugen wat koppelt heden aan toen
Voor de toekomst bevestigd door ’t brein

De balans die geest en lichaam verbindt
In eendracht te blijven
In eigen handeling steeds vrede vindt
En niet door fantasieën af te drijven

Ik zoek de balans die leven aan de aarde bindt
Die twist en afgunst doet vermijden
Door jaloezie het daglicht niet verblindt
Maar duurzaam aan opbouw zich blijft wijden

Waarom zouden dan volkeren elkaar bestrijden
Of mensen door honger verloren gaan
Mensen die onder verdrukking en oorlog lijden
In een ellendig armoedig bestaan

Als stuurloos schip


Als een schip dat deint op woelige baren
Over tomeloze verre zee
Laten wij ons dikwijls willoos varen
Met vele stromingen mee
Naar verre vreemde stranden
Op zoek naar ongewis geluk
Spoelen aan op vreemde stranden
En varen in de branding op de rotsen stuk

Zo zoeken wij in nevel naar onbestemd doel
Over onbekende wegen en paden
Bepalen richting louter op ons gevoel
Of enkel op goed geluk raden
Misschien zoals dat schip eens landen
Ergens ver over de horizon
Daar op de eeuwig vredige stranden
Tot waar nooit ons zicht nog reiken kon.

Vervagende herinneringen


Tussen land en water
Zie ik de golven spoelen op het strand
Voel ik de bruisende branding
En zie hoe mijn voetstap
Achter mij verdwijnt in het zand
Alleen mijn eigen herinnerring
Tors ik mee over de duinen
Naar het achter gelegen land
Waar ze verwaaien over de velden
En vertellen over de golven
En de branding ginds achter het duin
Maar ze verwaaien met de wind
Als mijn voetstap wegspoelt op het strand

Waarvoor zorgen over herinneringen

Losse momenten


Dagen tellend blijf ik lopen
Ieder moment een tel vooruit
Al dromend van een happy-end
In woorden die mij ontbreken
En gedachten als roze wolken

Lopend tot het eind wat ik blijf zoeken
Een horizon bestaand uit enkel licht
Daar heb ik geen woorden nodig
Daarheen blijven mijn dromen gericht

Al gaande sterf ik duizenden doden
En sta ook duizenden malen weer op

Steeds weer blijft het leven mij roepen
Met dromen over een happy-end
Als ik kom daar bij die horizon
Bestaand uit enkel licht.

Harde of zachte hand


De uren, die met zachte handen kweken,
De waan, dat ieder lijd’lijk eer bereikt
Zij zullen, reeds zo dikwijls al gebleken,
Verguisd, vergeten, zij zijn nooit geijkt

In levensstormen noch door tegenslagen
Hun lot gelegen in vergetelheid
Zal nimmer zware lasten kunnen dragen
Voor wie op deze bouwt in sulligheid

Door noeste handen zullen uren kreunen,
Gevormd worden tot sprekend beeld of woord
Niet zelden zal betekenis doordreunen
Als klokgelui door iedereen gehoord.

Die uren geven werk’lijk vast vertrouwen
Een stevig grondvest, jaren op te bouwen.

Meest fortuilijk


Laat wier fortuin in sterren staat geschreven
Hun voorspoed vergaren hoog als de bergen,
Behoudend naar eigen verlangen leven,
Geen tol van medemens of schepsel vergen.

Hij mag zijn hoogmoed spannen in gareel
Voor halen, hebben, houden van vermogen
En komt zo danig aan zijn royale deel
Om steeds zijn goed en have te verhogen.

Zo neme zijn geld en macht hem in bezit,
Is hij verslaafd aan aardse slijk gebonden,
Het vunzig stof der aarde dat hij aanbid,
Steeds verder zakt hij in de poel der zonden

Laat mij genoeg dat is genoeg, waarom meer?
De Godheid ziet boven sterren op mij neer.

Golven voor de toekomst


Als golven die op kiezelstenen stranden
als jagend tijdverschijnsel in de stormen
zal mijn gedachte strijden tegen banden
die leven klemmen tussen oude vormen

zo brengt een nieuwe dag het nieuwe licht,
maar wel in glans door oude zon beschenen,
dat wordt door ‘t oude duister niet ontwricht,
het helder schijnsel zal zijn krachten lenen

dan wordt in jonge tijd opnieuw geboren
begrip, ontsproten aan nieuwe bron,
en laat voor toekomst plannen horen
waar men in lange tijd van dromen kon

dan zullen golven over kiezelstranden
in rustig ritme puur, gezuiverd landen.

Golvende gedacten


Mijn gedachten in besloten wezen
en ruimte aan mij toebedeeld
binnen grenzen tussen hoop en vrezen
zijn niet meer of minder dan mijn leven
in kwadranten van tijd verdeeld
als seizoenen in alle jaren
verschillend in klimaat en kleur

’t langzaam schuiven van wolken
langs een Pruisisch blauwe lucht
of als donkere flarden jagend
door somber grauw firmament
pijnlijk getroffen door bliksemschicht
om weer tot rust te komen
bij aanblik van een vogelvlucht.