Driedimensionale vaart


Gisteren zijn we gestrand
aan de oever
van vlak spiegelend meer
kwamen door windstilte
en averij niet verder

vandaag varen we wel,
vergeten tegenslagen
trotseren dan storm
en tegenwind
tot we niet meer wagen

morgen richten wij de steven
met wind tegen of in ’t want,
zeilen bol of gereven,
naar toekomst
nieuw te ontdekken land.

Keren


Het was het reizen naar de verte
Gewoon een vlucht als met vogelzang
De tijd die mij noch riep
Noch tot in de lengte strekte
Was in mijn jeugd van enig belang

Ik had mijn nest verlaten
Gevlogen met de wind in de rug
Kwam ik niet verder dan de verre zee

Daar was de tijd om te keren
Door branding en felle tegenwind
Zag nog aan de einder palmbomen
En de zon ter kimme gaan.

Door de ogen van een ander


Is niet het later al
veel eerder geboren
of is er toekomst
wat nooit toekomst wordt

is heden wel ’t heden
want wat gisteren
nog morgen was
is vandaag toch heden

was voor gisteren
vandaag nog toekomst
ach, ’t is morgen
weer ’t verleden

wie heeft nog gisteren
gedacht aan mij
in toekomstige vorm

vandaag vraagt hij af
hoe ik zo jeugdig
ben gebleven

en

of ik morgen nog zal leven.

Ontspanning


Zorgen worden door wind uit mijn hoofd geblazen
alles gaat van “Leien dakkie” met wind in mijn rug
toch is er één “maar”, ik moet ook nog terug
misschien dat de wind uit andere hoek gaat razen

voorlopig denk ik daar nog maar niet over na
en peddel ik vrolijk over ’s heren wegen
zo de wind waait, waait m’n jas hopelijk zonder regen
want ik heb geen jas, zodat ik in m’n hempie sta

maar vrolijk en blij fiets ik over berg en door dal
ga veel liever omhoog dan naar beneden
ben ik eenmaal bovenop ga ik weer in vrije val
en ben je onderin kun je de hoogte weer betreden.

Wat is een mens toch een stukkie ongeluk
ben je beneden, trap je jezelf weer stuk.

Een mens


Nooit zal ik de mens begrijpen
Ook al ben ik er zelf één
Waarom steeds dat hebben en houden
Die afgunst en dat eeuwige verwijt
Altijd de één verheven boven de ander
Om elk bezit die eeuwige strijd

O, ik begrijp ’t best
Men wil de grootste wezen
Belangrijk door bezit en macht
Altijd vooraan, altijd beter weten
Nee ik begrijp het werkelijk niet
Uiteindelijk ben ik ook maar
…….een mens.

Na mijn tijd


Waar zal de zerk staan
Waaraan ik heb gebouwd
Wat zijn dan nog de woorden
Die ik geschreven heb
Gesleten door erosie in weer en wind

Een steen, niet meer
Geen uitspraak van mijn denken
Mijn woorden vervlogen
Als de letters op die steen

Misschien dat slechts een enkeling
Zich afvraagt wie ik ooit was
Herinnerd door een kale steen
Ergens op een vergeten plek
In stilte waar men nog vogels hoort

Levensbalans


Ik zoek balans tussen denken en doen
Het zeker weten van te zijn
Het geheugen wat koppelt heden aan toen
Voor de toekomst bevestigd door ’t brein

De balans die geest en lichaam verbindt
In eendracht te blijven
In eigen handeling steeds vrede vindt
En niet door fantasieën af te drijven

Ik zoek de balans die leven aan de aarde bindt
Die twist en afgunst doet vermijden
Door jaloezie het daglicht niet verblindt
Maar duurzaam aan opbouw zich blijft wijden

Waarom zouden dan volkeren elkaar bestrijden
Of mensen door honger verloren gaan
Mensen die onder verdrukking en oorlog lijden
In een ellendig armoedig bestaan

Als stuurloos schip


Als een schip dat deint op woelige baren
Over tomeloze verre zee
Laten wij ons dikwijls willoos varen
Met vele stromingen mee
Naar verre vreemde stranden
Op zoek naar ongewis geluk
Spoelen aan op vreemde stranden
En varen in de branding op de rotsen stuk

Zo zoeken wij in nevel naar onbestemd doel
Over onbekende wegen en paden
Bepalen richting louter op ons gevoel
Of enkel op goed geluk raden
Misschien zoals dat schip eens landen
Ergens ver over de horizon
Daar op de eeuwig vredige stranden
Tot waar nooit ons zicht nog reiken kon.

Vervagende herinneringen


Tussen land en water
Zie ik de golven spoelen op het strand
Voel ik de bruisende branding
En zie hoe mijn voetstap
Achter mij verdwijnt in het zand
Alleen mijn eigen herinnerring
Tors ik mee over de duinen
Naar het achter gelegen land
Waar ze verwaaien over de velden
En vertellen over de golven
En de branding ginds achter het duin
Maar ze verwaaien met de wind
Als mijn voetstap wegspoelt op het strand

Waarvoor zorgen over herinneringen

Liefde, begrip en respect


Als leven niet meer liefde is,
waarom zou ik hopen
op lengte-van-dagen
als ik dan nog heel lang
ellende en verdriet
moet verdragen.

Vul mijn dagen met liefde,
meer wil ik u niet vragen
dan begrip en wat respect,
af en toe waardering,
zaken waarvan de waarden
niet in mist vervagen.

Individuele rust en vrede


De gedachte dat ik hier loop
Tussen velerlei soortgenoten
Intrigeert mij in hoge mate
Zo weinig in uiterlijk verschillen
Maar even zoveel verschil
Van gedachten en mening
Allen individuen die lopen
In eigen gedachten met eigen wensen
Ieder verlangend naar rust en vrede
Maar wel individueel.

Losse momenten


Dagen tellend blijf ik lopen
Ieder moment een tel vooruit
Al dromend van een happy-end
In woorden die mij ontbreken
En gedachten als roze wolken

Lopend tot het eind wat ik blijf zoeken
Een horizon bestaand uit enkel licht
Daar heb ik geen woorden nodig
Daarheen blijven mijn dromen gericht

Al gaande sterf ik duizenden doden
En sta ook duizenden malen weer op

Steeds weer blijft het leven mij roepen
Met dromen over een happy-end
Als ik kom daar bij die horizon
Bestaand uit enkel licht.

Harde of zachte hand


De uren, die met zachte handen kweken,
De waan, dat ieder lijd’lijk eer bereikt
Zij zullen, reeds zo dikwijls al gebleken,
Verguisd, vergeten, zij zijn nooit geijkt

In levensstormen noch door tegenslagen
Hun lot gelegen in vergetelheid
Zal nimmer zware lasten kunnen dragen
Voor wie op deze bouwt in sulligheid

Door noeste handen zullen uren kreunen,
Gevormd worden tot sprekend beeld of woord
Niet zelden zal betekenis doordreunen
Als klokgelui door iedereen gehoord.

Die uren geven werk’lijk vast vertrouwen
Een stevig grondvest, jaren op te bouwen.