Sociaal gedreven

Door hoop en vrees gedreven, twijfel over bestaan
En eens gekomen op het keerpunt van mijn leven
De stille vraag, waar komt mijn hoop en steun vandaan
Wie zal mij op mijn paden verder richting geven

Wie steunt mij waar onzekerheid mijn paden kruist
De moed en kracht om door te gaan mij zal ontvallen
In ’t hart slechts angst voor duist’re armoe en toekomst huist
Zodat ik eens tot bedelarij zou vervallen

Mij geeft de troost dat geen materiële zaken,
Waar wij zo dikwijls ’t enig heil in plegen zien,
Op deze aard ons niet gelukkig kunnen maken
Maar meer als ik mijn medemens van harte dien.

Dan kunnen wij in vrede verder door het leven
Omdat wij elk respect en ruimte willen geven

Bijna apocalyptische droogte 2018


Hoe zacht deze ochtend het licht de kim besteeg
De zachte gloed verspreidde over de horizon
Waardoor de nieuwe dag haar volle glans verkreeg
Het licht opnieuw de duistere nacht overwon

De frisse wind der nacht door hitte vervangen
Door meedogenloos alles verschroeiend zon
Terwijl mens, dier, plant en aarde verlangen
Naar stromen water uit rijke hemelbron

Het land verdort en mens en dieren dorsten
Beken drogen uit in stil water sterven vissen
Jonge arenden en buizerds sterven in horsten
Daar ze door nijpende droogte voedsel missen

Nu vouwen mensen uit westerse landen
Als bede voor ’t leven ook smekend hun handen.

Muze der dageraad


Voor altijd zal het schoon gedicht u bezingen
Bekoren uw gevoel, uw zinnen, hart en oren
Met warmte van zang en elan u omringen
En klanken ’s morgens van vele vogelkoren

Uw schoonheid geeft fantasie en inspiratie
Tot schrijven van menig proza, ode of sonnet
Uw aanzien geeft elke dichter adoratie
Voor u wordt zo menig woord op papier gezet

Uw schoonheid is met geen pen te beschrijven
Uw hoofd met diamant smaragd en zirkoon getooid
In elk seizoen zult u de aller schoonste blijven
Wat er ook gebeurt geëvenaard wordt u nooit

De ganse wereld bezingt u in het prilste licht
Uw hele wezen is voor ons het schoonst gedicht.

De schepper


Het daag’lijks eten dat mij spijst en voedt
het is gegoten uit het beeld van jou
het vult mijn lichaam met een warme gloed
als zonneschijn in vroege ochtenddauw.

Je lach als paar’len over ’t veld gestrooid
je oogopslag gelijk de hemelboog
mijn schone zanggodin met goud getooid
voor jou vormt de natuur een ereboog.

Jij muze die het leven roept en wekt
uit dorre tijd opnieuw weer doet ontwaken
met kleur en geur de aandacht steeds weer trekt
een ieders oog en hart moet jij toch raken.

Jou wezen ligt zo diep in je aard verborgen,
voor heel de schepping wil je steeds weer zorgen.

Daar doe ik het voor


Wat belast mij toch met werk in huis en tuin
Wat houdt mij af van vrijheid mijner zinnen
Waarvoor gooi ik mijn eigen lusten in puin
Wat kan ik met deze nodeloosheid winnen

Ik aanschouw dan wel de schone bloemenpracht
En leg mij onder veilig dak te slapen
Terwijl ik gaande op mijn laatste schreden wacht
Maar vind tegen dood noch verderf enig wapen

En al peinzend in het laatste avondrood
Stil opziend naar de fonkelende sterren
Leg ik aan Hem al mijn angst en noden bloot
Die mij steeds in Zijn liefde ziet van verre

Dan is mij mijn last uit handen genomen
En kan ik deze nacht weer tot vrede komen.

Geen tijd staat stil


Soms is het of de tijd even stil gaat staan
of er geen toekomst in het verschiet meer is
gevangen door zwaar verdriet of een gemis
en kun je alleen bijna niet verder gaan.

Zwaar en vermoeiend zijn dan de dagen
eenzaam en donker zijn dan de nachten
worden gestuurd door duistere krachten
wij worden belaagd door angstige vragen.

Wat helpt het stil te staan bij al die zorgen
te blijven hangen in ellende en verdriet
terwijl Hij ons in Zijn liefde heeft geborgen

met eeuwige toekomst nog in het verschiet
van wieg tot graf wil Hij ons altijd verzorgen
voert aan Zijn hand ons in de nieuwe morgen.

Tuin vol wonderen


Schoonheid in vorm en kleur aan elke kant
geschenken te kust en te keur uit Uw hand
gaven die U ons biedt zo frêle en teer
laat ons steeds dankbaar zijn daarvoor Heer.

Uw schepping van het leven en de aarde
Uw woord voor ons steeds een vaste waarde
iedere bloem een teken van barmhartigheid
elke bede uit ons hart slechts aan U gewijd

Elke bloem een teken van Uw erbarmen
waarmee U ons neemt in Uw armen
en voor een blij en vreugdevol leven
steeds weer een zee van wonderen wil geven.

Zo lopen wij iedere dag in stil verwonderen
door die tuin door U geschonken vol wonderen.

Helder licht uit het graf


Ik dacht te zien het diepste duister
in holte van ‘t geopend graf
omdat de dood in alle luister
geen enkel lichtpunt toegang gaf.

Hij had ’t graf zelf toegesloten
met steen, verzegeld en bewaakt
en ied’re hoop was uitgesloten
dat ooit een dode weer ontwaakt.

Ik dacht het duister slechts te zien
maar kon m’n ogen niet geloven
daar lag blinkend opgerold stramien
en hoorde engelen de Here loven.

Geen dood bevond zich in dat graf.
Herrezen is Hij, die ons het leven gaf.

Sonnet van het Hooglied

Sonnet van het Hooglied

Zing mijn liefste over liefde en minnen
begeleid door harp en met vrolijke fluit
beeld in bekoorlijke dans je vreugde uit
genieten we van schone klank in zinnen

die samengevoegd in vorm en akkoord
geheel ons hart en gemoed zullen strelen
onze pijnen en verdriet zullen helen
feest voor ieder die van je warmte hoort

maar laat niet te vroeg de lampen doven
opdat de bruidegom de poort niet sluit
u wordt geweerd uit feestzaal en van hoven.

Dans mijn liefste en deel je liefde uit
geef iedere gast van wat je hebt ontvangen
en wacht op je bruidegom in verlangen.

Naar het boek Hooglied en Matteüs 25: 1t/m13

Egbert Jan van der Scheer
02-11-11

Lichtdragers


Reik ons de brandende toorts ontstoken door Uw geest
Opdat wij op aarde Uw licht mogen verspreiden
Uw liefdevol woord in waarheid zullen belijden
Brandend van verlangen naar Uw wederkomstfeest

Laat ons met Uw vuur rond heel de aarde schijnen
Zodat Uw woord overal in gloed wordt gebracht
Geef ons Heer de moed en bovenal Uw grote kracht
Opdat uw wonderen niet in het niets verdwijnen

Heer dat wij dat vuur met onze liefde voeden
Behoedzaam dragen als Uw dierbare gaven
Steeds weer tegen doven zullen behoeden

En met de gloed en warmte ons steeds laven
Ook voor anderen ontsteken Uw helder licht
Uw licht uitschijnen is niet meer dan onze plicht.

Ieder zijn waarde


Ik ben niet beter dan ieder ander, Heer
Maar voor U ben ik ook echt niet minder
Leer mij dat ik ook ieder mens waardeer
Of dat ik door eigen waan niemand hinder

Een ieder is geschapen naar Uw beeld
Elk mens met eigen gestalte en gave
Maar zelf hebben we ons in klassen verdeeld
En houden ons eigen bezit en have

Op Uw hele schepping Heer zijn wij de kroon
De parel en het pronkstuk van Uw hand
Uw aarde gaf U ons als dagelijks loon
Om die te bewerken gaf U ons verstand

Ook mij gaf U mijn deel, niet minder of meer
Waaraan ik weet, ik ben niet minder of beter Heer.

Vergeving voor iedereen


Heer leer ons hen die ons bespotten vergeven
Zo U hen vergaf die U nagelden aan ’t kruis
Leer ons met vijand zoals met vrienden leven
Als elk mens die U wilt ontvangen in Uw huis

Leer ons ieder mens aanvaarden en begrijpen
Wees met ons als dat zo moeilijk voor ons schijnt
Wees de steun waaraan wij ons vast kunnen grijpen
Als verder alle houvast voor ons verdwijnt

Elk mens Heer hebt U naar eigen aard geschapen
Een ieder schiep U naar Uw onvolprezen beeld
U leidt hen als een herder Zijn kudde schapen
Behoedt hen voor het wild gediert dat hen verdeelt

Heer leer ons bidden voor hen die ons belagen
Leer ons Heer ook voor hen vergeving vragen

Dwars door de woestijn


Hoe lang zocht ik naar die bron in de woestijn
Die plek waar schaduwrijke palmen groeien
En naast held’re bron dadelbomen bloeien
Bij blanke fonteinen zal ’t heerlijk rusten zijn

Hoe lang moet ik gaan door brandend hete zon
En aan de einder slechts het troosteloze zicht
Van dorre vlakte in ‘t verblindend zonnelicht
Geen hoop geen leven aan verre horizon

Doch niet heel de aarde bestaat uit enkel nood
Eens zal mijn weg mij naar nieuw leven leiden
Daar ligt de toekomst die vrijwaart van de dood

De oase van vertroosting en bevrijden
Daar loop ik aan de hand die Hij mij bood
En Hij zal mij naar het paradijs geleiden.

Onvoorspelbaar


Als stormen nooit voorbij zouden gaan
De zee altijd ruw zou blijven
Wolken altijd bedekken zon en maan
Nooit van de hemel zouden drijven

Dan is de wereld somber en grauw
En blijft de aard in duister verborgen
Dan straalt geen warmte, enkel kou
En bestaat ’t leven enkel uit zorgen

Maar iedere dag rijst weer de zon
Straalt haar schijn over de aarde
Schemert de kim waar ’t licht begon

En terwijl de stormwind bedaarde
Komen ook de golven weer tot rust
Wordt heel de schepping weer gesust.

Paden


Geen wegen waar mijn voeten gaan
De aarde draagt slechts slijk
Dromend ga ik langs eigen baan

En ergens ligt een grote stad
Ik nader reeds de buitenwijk
Waar geen verkeer zich horen laat
Bereikbaar over ’t smalle pad

De echo geeft haar klanken weer
Tussen satijn en goudbrokaat
Kaats vanuit ivoren poorten neer
Door straten met duizend edelstenen

Daar zijn wegen waar mijn voeten gaan
Over voorgebaande paden
Zal ik mijn zijn aan droom ontlenen.