Levensherinnering


Zie in ramen van mijn leven
weerspiegeling van velden
groen tot aan de horizon
golvend gras als op zeeën
bewogen in de oostenwind

hoor door openstaande deuren
zacht het klagen van een kind
gevallen in gespannen netten
en de strikken van een vrind
getroost door oude woorden

voel de streling van het water
dat mij draagt naar gindse zij
gewichtloos zonder enige moeite
als een schip naar stille kust
waar ik kan landen in veilige haven

zie in ramen van mijn leven
weerspiegeling van groene velden
golvend gras tot aan de horizon
hoor nog steeds het klagen van dat kind
voel het water dat draagt naar gindse zij.

Over een droom


Ik peins mij suf om zinnig woord te schrijven
Helaas, geen passend woord siert mijn papier
Daar mijn gedachten enkel bij jou verblijven
Geen enkel ander verschaft mij zo’n plezier

Waarom dan toch dat ik woorden moet zoeken
Daar jij al een schoon gedicht bent op zichzelf
Jouw schoonheid staat niet beschreven in boeken
In jouw beweging herkent men glans van een elf

Je bent gelijk een droom, een sprookje bij nacht
Waar geworden fantasie door dichters beschreven
En alleen in stilte door hun brein bedacht
In verhalen aan kinderen gebleven

Laat mij daarom dromen dat je steeds bij mij bent
Alleen door die hoop voel ik mij in m’n element.

Op zoek naar Sangria


Ergens achter de horizon
Moet toch een plek zijn
Een plek waar de bron van licht is

Ver, heel ver hier vandaan
Schijnt daar eeuwig de zon
En eeuwig de maan

Daar staan aan wijde hemelboog
Duizenden fonkelende sterren

Daar heerst de vrede en geluk
Jaar na jaar in ware pure liefde
Daar breekt geen hart meer stuk.

Zo lang nog


Hoe lang nog sta ik hier te wachten
Te wachten in weer en wind
Hoeveel dagen, hoeveel nachten

Nog schreit in mij het kind
Het kind dat gepasseerd door de tijd
Het wachten reeds zo moe is

Hoe lang sta ik hier te wachten

Iedere dag passeert het leven
En elk uur sterven ergens vele kinderen
Steeds duisterder worden nachten
En ergens rijst een rode maan

Hoe lang nog duurt het wachten

Geen sterren bekleden nog de hemel
En elke schaduw verbleekt
In de uren die nog resten van het wachten

Totdat de zon het duister verbreekt
Zolang zal ik nog wachten.

Gebruik van tijd


In gestage tik van seconden
verloopt traag de tijd
waarin wij steeds vonden,
maar raakten ook kwijt,
juiste wegen in ’t leven
in balans en evenwicht
om elkaar ruimte te geven
gunnend ieder levenslicht

in die gestage tik van seconden
vonden wij ook snel de tijd
elkaar dodelijk te verwonden
in woorden of in strijd.

Wees dan stil


Stil maar, er komen tijden
van liefde, vree en rust
die wij aan medemensen wijden
vol van troost bewust.

Stil maar, eens zullen wij feest vieren
vriendschap en vreugde met elkaar
de bedelaar zich met bloemen sieren
de krijgsman knielen voor ’t dankaltaar.

Stil maar, dan zal niemand meer lijden
door ziekte, pijn of geweld
wees niet ongeduldig, er komen tijden
dat de dagen van ’t kwaad zijn geteld.

Wees dan stil, luister naar het vogellied
zie de schone bloemen in de velden
vertrouw op wat ons de vrede biedt
zekerheid waarover onze ouders vertelden.

Geboorte van een gedicht


Niet mijn mond
die woorden spreekt,
noch mijn brein
waaruit ze ontstaan,
ook niet mijn hand
die ze schrijft
en ze samen richt.

Geboren in mijn hart,
gewogen door mijn brein
worden woorden die ik spreek
geschreven met mijn hand
tezamen tot één geheel
uit het diepste van mijn ziel
gevoegd tot een gedicht.

Chagrijnerig gedoe


De wereld staat op z’n kop
iedereen roept “Móórd! en Brààànd!!”
loopt te kakelen als kip zonder kop
je vraagt af “Wat is er aan de hand?”

Oom Hoekstra keert z’n portefeuille om
maar stort alleen gebakken lucht
lange Mark loopt van zorgen krom
heel Nederland slaakt een diepe zucht.

Het enigst wat men aanschouwt
zijn lange gezichten vol rimpels
dat krijg je als je op luchtkastelen bouwt
en nergens straten vol met wimpels.

Toch loop ik vrolijk in de zonneschijn
te feesten, dansen en springen
voor mij niet ál dat chagrijn
d’r zijn nog zóveel mooie dingen.

Herfst-winter


Niets mooier dan wandeling door nevelig bos
genot van zwakke zonnestralen door kruinen
over bladbedekte kronkelpaden struinen
bewonderen van bomen bedekt met mos

ergens rusten op een boomstronk in de stilte
ademen van de pure gezonde lucht
door het lover strijkt een bries als een zucht
’t is een voorbode voor de avondkilte

schaduwen beginnen langzaamaan te lengen
de zon begint te dalen met diep avondrood
van takken valt dauw alsof ze tranen plengen

het duurt niet lang of de kruinen zijn ontbloot
en een nieuw jaargetij beheerst heel de natuur
komt winter met vorst en sneeuw koud en guur.

Derde seizoen


Zie je komen
met witte wapperende manen
door goud beschenen
bedekkend vlakke velden
vertakken tussen bomen
hangen in brede straal

gedempt klinkt je stem door bossen
vertolkt in roep van edelhert
zacht geritsel in gekleurde bladeren
beluister ik beweging
van hermelijn marter en vossen
om je schoonheid
kan ik niet treurig zijn.

Herfstode


Ik lief het zacht getemperd licht
door kleuren van schoonst pastel
evenzo de vlucht van de libel
vloeiend tot één in het gezicht.

Ik lief geuren van het schemerwoud
het verhaal van vergankelijke tijd
herinneringen aan ’t leven gewijd
straks bewaard door ’t dorre hout.

Ik lief de ruimte op de verre hei
waar nog de kleur van zomer is
de wind waait al weer wat fris
over paden dartelt een lamprei.

Er is geen jaargetij dat ik zo lief
met heel zijn kleurrijke tooi
herfst is zo verschrikkelijk mooi
al brengt hij ook wat ongerief.

Op mijn brommer


Scheuren door polders en over boerenwegen
van dorpen naar steden dan steeds heen en weer
of de zon nu scheen, of in zware slagregen
dat kon me niet schelen, ik zat toch in het leer

steeds sneller en sneller schoot ik alles voorbij
elk maximum overschreed zo die brommer
met de wind om je kop voel je, je pas echt vrij
niet verstandig, maar niet meedoen was dommer

Ze kunnen geniepig ergens verdekt gaan staan
heren der “Hermandad” stiekem op de loer
en juist als je lekker op topsnelheid wilt gaan

wordt je justitioneel promotievoer
de brommer ging zonder-meer op de rollerbank
hij staat nu één-bij-één in de vensterbank.

Naar binnen gericht


Door het half duister van komende dag
en rosse gloed langs verre strook der horizon
nog kille adem van vroege ochtend
en de dag geen helderheid verschaft
maar sudderend zijn eigen wegen baant
ligt het waanbeeld dat het nooit zal beteren.

Zacht trekt nevel zijn sluiers over velden
ontneemt dikwijls ons ook laatste zicht
op onontbeerlijke warmte van licht
en wij lopen langs zonder elkaar te bemerken
slechts eigen zorgen wegend en bewerken
doen bij eerste zonnestralen de luiken dicht.