Winterse puurheid


’s Morgens als de nevel met dauw
het veld met paar’len heeft bedekt
of groen van gras aan ’t oog ontrekt
bevroren door vorst en winterkou

langs Pruisisch blauwe hemelboog
de wolkenmassa statig zweeft
de winter heerschappij nastreeft
en ’t zonlicht stijgt gestaag omhoog

dan kan een stille vrede heersen
genot van zuiv’re pure lucht
al weegt de kou dan wel geducht
toch zal het ons niet overheersen.

Winterleven


Kleumerig zit een duif
voor het raam op een tak
tussen druipende kruinen
en dreinende oostenwind

druk scharrelt een roodborst
door kale struiken
op zoek naar kruimels
en korstjes brood

in de vijver zitten eenden
hun kop in de veren
al zwemmend
houden ze een open wak.

En ik zit achter de ruiten
warm bij de brandende haard
denk, Ach die arme vogels
maar laat ze mooi niet binnen.

Winterbomen


Met naakte stramme leden
door herfststorm moe gestreden
als door kou versteend
wind en tijd ontbeend

schimmen van zomer
voorbeelden van dromer
schaduwen in weerwil
doods en stil

wachters van stilte
monumenten van rilte
stormen die ontkleden
en schoon ontdeden

voorbeelden van hoop
in levensloop
die steeds weer ontbot
loochent ’t levenslot.

Wie is de mol?

Doodse stilte over nog groene weiden

Doodse stilte over nog groene weiden
waar in het zicht op het nevelig einder
niets meer overblijft van vreugde of verblijden
op eenzijdig gras hier en daar een vlinder

geen vee ziet men hier straks nog vredig grazen
vrij spelen en springen door ruime velden
alleen tractoren en maaiers die razen
hazen, vogels of reeën zijn er zelden

naar genot en schoon kan men nog lang zoeken
zelfs laat het verval in bossen zich gelden
oorsprong van natuur vindt men slechts in boeken
economische driften die haar velden.

Of wij geen verantwoordelijkheid dragen
zal niemand zich ooit werkelijk afvragen.

Waarvoor is het leven bestemd


Als bij rijzen van zonnegloren
over velden parelen zijn gestrooid
toont de wereld mooier dan ooit
dat zij eens voor geluk is geboren

hoe vredig kunnen landerijen zijn
als alles in ochtendlicht is overgoten
aan iedere tak een fonkelende robijn
smaragdgroen van tere jonge loten

maar over de wegen raast verkeer
in niets ontziende haast en geweld
mensen kennen de schepping niet meer

het einddoel is het enige dat nog telt
langzaam aan verdwijnt het groene land
met dat al zet men het leven aan de kant.

Vrijheid der natuur


Niet zo ver van hier
burelen de bronstige herten
showen hun geweien fier
zijn hoorbaar tot in verten

roep van oernatuur
tussen bomen, door paden
tot in middernachtelijk uur
schalt door bos en herfstblad’ren

rondom laveit hun roedel hinden
symbool van natuur en vrijheid
niet aan plaats te binden
vrije ongebonden eenheid.

Vorstige ochtend


Lopen langs wit bevroren velden
en beijzelde randen riet
met wuivende witte pluimen
in zachte frisse bries
door nevelige landerijen
en schemerende horizon
een vrij gevoel te leven
in natuur die ik zo lief

hoog in blauwe lucht
een V ganzen
en hier en daar
hobbelt een haas
in de verte een snelweg
te horen aan het geraas
verder niets
dan zalige stilte.

Vervagend


Schaduwen tussen bomen
fluisteren hun woorden
in zachte akkoorden van stille bries
groeien in mosstille geluiden
door zonlicht gestrekt
tot drempels over zanderige paden.

Sluipend door en over elkaar
geven elkander geen ruimte
vormen zacht licht van de dag
om tot nevelige schemer
tussen verduisterend eikenhout
tot nacht elk zicht ontneemt.