Broeder van de verloren zoon


Nee, niet de zoon die het huis verliet,
ik ben altijd Vader trouw gebleven
nooit deed ik Hem verdriet
ik werkte voor Hem heel mijn leven.

Mijn jongere broer is van huis gegaan
hij wilde de wereld in met vrinden
al die tijd heeft Vader op wacht gestaan
tot hij de weg terug zou vinden.

Zijn hele erfdeel heeft hij verbrast,
geen penning bleef hem over
nergens was hij meer welkome gast
alle vriendschap was heel snel over.

Nu kwam hij bij Vader als arm bedelaar
smekend of Die hem weer aan wilde nemen
je houdt het niet voor mogelijk maar ’t is waar
straks gaat hij nog weer een erfdeel claimen.

En Vader richt een feestmaal aan
voor die schooier, die verrader
want Hij zegt; “Zie Mijn zoon is opgestaan.
Nu ben Ik weer zijn Vader.”

Maar ik wend mij van dat feestmaal af,
nog nooit kreeg ik een heel klein bokje
hij krijgt ’t gemeste kalf en geen straf.
Ik trek mij boos terug in mijn hoekje.

Maar Vader zegt; “Kom mijn zoon,
al wat ik nu nog heb is toch van jou
jij mag ter rechter kant van Mijn troon
als dank voor je trouw.

1 Korintiërs 13; 1-13

De liefde is de grootste eis
hoe graag zou ik die volbrengen
zodat ik tijdens mijn hele levensreis
geen vreugd met leed zal vermengen

dat ik geen jaloezie zal kennen
met afgunst zie wat van mijn naaste is
en als de minste zal wennen
aan minder zijn zonder gemis

laat mij niet haten wie mij knechten
maar dienen met een opgewekt gemoed
mij aan beloning enkel niet hechten
maar overtuigd zijn, wat ik doe is goed,

over mijn daden wil ik niet snoeven
daarmee doe ik wellicht anderen pijn
ik wil graag hen helpen naar behoeven
zodat we dan samen sterker zijn

niemand wil ik ook minder achten
omdat ik misschien wat beter ben bedeeld
maatschappelijke pijn wil ik verzachten
waar dat geestelijke noden heelt.

En begrijpt men niet mijn streven
om een goed mens en christen te zijn
blijf ik toch de liefde geven
ook al doet men mij zo’n pijn.

Zoek ogen die zien

Je staat en staart
in stilte langs de mensen
die drommen om je heen
maar ziet geen gezichten
of vormen van ledematen
je staart slechts
in het niets

alleen zie jij die muur
die scheiding tussen alles
waardoor de wind
niet blazen kan, gesloten,
als een rots, onwrikbaar,
geef Hem een hand
Hij wil je door die massa

leiden over die rotsen heen.

Zo licht loop ik de weg voorbij

Zo licht loop ik de weg voorbij
die mij toch duidelijk is gewezen
want U Heer laat mijn wegen vrij
dwang behoef ik niet te vrezen
U zet alleen een richtingbord
en zegt, daar is plaats voor jou
zeker dat je daar gelukkig wordt
dat beloof Ik, ga maar gauw.

Toch kies ik vaak een ander pad
een weg die ik beter niet kan gaan
wie weet is het glibberig en glad
en glijd ik daardoor bij U vandaan
een vaste route vind ik alleen
als U mij steunt bij moeite en twijfel
waar moet ik zonder U dan heen
of zonder woorden uit Uw bijbel.

Zekerheid dat ons geloof niet voor niets is

Wie heeft niet gezien de grootheid
van de zegeningen iedere dag
het leven in al zijn schoonheid
elke keer ontmoet met blijde lach.

Wie zou niet genieten van het leven
als hij dagelijks de bloemen ziet
alle dingen ons ten dienste gegeven
dit alles verwoordend in een lied.

Als schepselen op Zijn rijke aarde,
klein en nietig zijn wij misschien,
vindt Hij ons van zo’n grote waarde
dat Hij ons in liefde dagelijks wil zien.

Al klinken onze beden nog zo iel
vanaf Zijn hoge troon wil Hij ze horen
en rust toevertrouwen aan de ziel
ondanks ontrouw ons met gena bekoren.

Willen wij wel vrede?

Steeds weer vragen wij in velerlei bede,
geluk voor mensen, rust voor de aarde.
Voor geluk tussen volkeren en vrede,
daar, waar conflict in oorlogen ontaarde.

Vragen God, Die hoog staat boven mensen,
te verhoren onze smeking en gebed.
Verwachten dat Hij zal vervullen de wensen,
die wij naar onze eisen hebben gezet.

Vrede, zo wij die kennen en verwachten,
zonder onrust, oorlogen en geweld.
Vrede, waarin wij vrij zijn te verkrachten,
het menselijk geluk, alleen om geld.

Toch wees Jezus ons zo duidelijk de vrede.
Dat, dat niet enkel aardse materie is.
Ook wees Hij ons heel duidelijk de rede,
waarom de aarde blijft in droefenis.

Schep eerst vrede in hart en geloof in God.
Toon uw liefde aan alle mensen.
Dit is het eerste en het tweede grote gebod.
Zo gij u daaraan houdt, vervul Ik alle wensen.

Wat kan zwaarder straf wezen?

Als wij Uw zon niet meer zien Uw stem niet horen
niet willen weten van Uw liefde en gena
verzwijgen Uw hemelse beloften en woorden
niet antwoorden op Uw vragen als wij tot U gaan.

Heer wat betekende dan ons aardse leven
waarvoor hebben wij hier dan ooit bestaan
alsof wij alleen tot eigen eer en roem hier streven
gaat ons het lot van Uw schepping niet aan.

Niet Uw straf en wraak zal ons dan treffen
maar, Heer, enkel Uw droefheid en verdriet
omdat wij niet Uw goedheid wilden verheffen
in Uw schoon wereldomvattend liefdeslied.

Wat hebben we geleerd van kribbe en kruis

Nog steeds staat een ster te schijnen
ergens boven een kleine stal
helder aan de hemel in donkere nacht
stil daar boven Efraïms velden
als een stille trouwe hemelwacht
strooiend zijn licht over kudden
nog steeds door herders bewaakt

het is niet die stal waar in die kribbe
een pas geboren jongetje lag
waarheen de herders werden geroepen
en uit het oosten wijzen kwamen
maar die ster wil ons nog herinneren
aan die gebeurtenissen van weleer
wijst ons op de goedheid van onze Heer.

Nu zo vele jaren zijn voorbij gegaan
en wij zo veel zelf hebben bereikt
blijven wij er niet meer stil bij staan
omdat alles ons zo onwaarschijnlijk lijkt.
In een stal wordt niemand meer geboren
ook niemand sterft meer aan een kruis
omdat wij de realiteit uit Afrika niet horen.