Leven is het bewijs


Vertel mij hoe het eerste leven is ontstaan
Na een oerknal volle dode materialen
Hoe kan uit die dode stof leven bestaan
Hoe is uit steen geestelijke emotie te halen

Wie geeft vorm aan plant of dier
En onderscheidt het menselijk intellect
Hoe komt levensadem op aarde hier
Vertel mij wie is die levensarchitect.

Slechts Één schenkt ieder wezen
De liefde en het leven hier op aard
Zoveel gunsten heeft Hij reeds bewezen
In Zijn lankmoedigheid ons bewaard

Welk Wezen kan schoner aarde bedenken
Met meer verschil in vorm en kleur
Of zou Zijn schepping beter schenken
Zo volmaakt, zo superieur.

Zwerver


In stilte slaak ik mijn zucht
over verloren tijden
waarin ik ben gevlucht
geen lef had om te strijden
of aan toekomst te wijden
maar voor hoon beducht
enkel dat ontvlucht
uit angst voor lijden.

En achteraf sta ik verholen
in schaduw van het zijn
en wezenloos verscholen
verbijtende de pijn
heb zelf mijn leven ontstolen
vergokt, verslaafd aan wijn
moet ik nu doelloos dolen
alle goeds voor mij slechts schijn.

Opgericht aan het open graf


Diep moeten wij buigen voor Uw graf
Te zien het licht dat daaruit straalt
Zagen slechts windsel dat U omgaf
De steen voor de opening gehaald.

Diep moeten wij buigen voor Uw gena
Vergiffenis die U zo rijkelijk schonk
Want nog horen wij vanaf Golgotha
Vader vergeef hen deze bittere dronk.

Diep moeten wij buigen aan Uw voet
Wenend om wat wij hebben gedaan
Dan horen wij Uw stem zo zoet;
“Kom, u mag met Mij zijn opgestaan.”

Honderd procent genade


Verdwaast stond ik te staren
naar Hem daar aan dat kruis
was Hij niet die ons beloofde
bevrijding en een veilig huis.

Nu hing Hij daar gestorven
gelijk die zondaars neven Hem
bleven wij als wezen achter
zonder Zijn troostende stem.

En bij Zijn laatste woorden
verdween ook al onze hoop
toch zag ik door het duister
dat van het schandelijk kruis
gena, vergeving en liefde droop.

Een graf vol licht


Een graf ademt de geur van dood,
van angst, van rotting en bederf,
van ziekte, lijden en stervensnood,
aardse weg van ondergang en verderf.

Toch heb ik van een graf gehoord,
waaruit helder licht kwam schijnen
een Man, wiens handen doorboord.
Dood kon Hem niet weg doen kwijnen.

Hij kwam buiten in het volle licht,
terwijl de engelen voor Hem bogen
heeft Hij zich tot de mens gericht,
en hem vergeven vol mededogen.

Op een morgen was Zijn graf open,
de steen weggerold voor het graf,
kwam als overwinnaar buiten lopen,
de verslagen dood ontgaat geen straf.

Niet meer een donker dodenrijk
als toekomst voor de mens zo zwart.
Zelfs satan nam voor Hem de wijk.
Voor Hem die alle zorg en ellende tart.

Vuile handen


Ik heb niet mijn handen gewassen in onschuld
aan mijn handen kleeft nog steeds Zijn bloed
om voor Hem te strijden ontbrak mij de moed
ook dat ik bij Hem behoor heb ik niet onthuld

toen Hij mij aanzag heb ik mijn ogen neergeslagen
ja ik heb Hem zelfs verloochend en verraden
en nooit heb ik Hem gediend door mijn daden
hoe zou ik Hem nu om vergeving durven vragen.

Gelukkig heb ik mijn handen niet gewassen
of gereinigd van mijn smaad en schuld
nog steeds kleeft aan mijn handen Zijn bloed

maar tegen Zijn liefde ben ik niet opgewassen
Hij blijft van mij houden in eindeloos geduld
en juist mijn vuile handen zeggen, het is goed.

Waren mijn zonden de spijkers in Uw handen?


Waren mijn zonden de spijkerss in Uw handen?
Was ik het Heer, die U dreef naar Golgotha?
Was ik het die U voeten bond met banden?
Heb ik, in vele zonden, verbruid voor Uw gena?

Ik was het niet, die voor Uw vrijheid vocht.
Voor Uw onschuld heb ik niet ingestaan.
Toch was U het die míjn vrijheid kocht.
Dus mocht ik door Úw lijden verder gaan.

Maar telkens weer werd ik door eigen schuld
gewezen op Golgotha, dat ruwe kruis
waar U mij aanzag en vergaf in eindeloos geduld.

U waste mij van zonden door Uw lijden en sterven,
leidde mij dwars door geopend graf naar huis,
waar ik een plaats in Uw Vaders liefde mag erven.

Winterslaap


’s Morgens als de zon verheft boven de einder
zijn lichtstralen weer verspreidt over het veld
warreling weer waarneembaar van vlinder
kerkklokken op slag van zessen zijn geteld

De temperaturen onder nul niet dalen
geen ijslaag zich meer vormt op de sloot
Men hoeft dan geen jas meer uit de kast te halen
begroeten we liever avond- dan morgenrood

Bomen staan in volle glorie in de gaarden
uitbundig bloeiend als wonderschoon bouquet
komt ook het buitenweer tot hoger waarden

Wintersport vergeten, schaatsen gaan in ’t vet
Wie zich nog in bontjas kleed, loopt voor aap
’t Is afgelopen, de winter gaat in slaap.

Harp


Heerlijke zachte klanken
dansen door de zaal
in ritme van
onnavolgbare akkoorden
als op vlindervleugels
gedragen van bloem tot bloem
proevende de zoete nectar

trilling van snaren
vibrerend met de lucht
golven als rustig kabbelend water
over een oeverloos meer
dat nergens regelmaat verstoort
en elke spanning of stress
wegebt van de kant waar je zit

Hopelijk


Laat niet stilte verloren gaan
de chaos zegevieren,
laat rust en vrede bestaan
het leven met liefde sieren.

’t Geluk in kleine proporties vaak
vormt samen toch het grote
ieder te waarderen is onze taak
daarmee wordt menig hart ontsloten.

Weer afgunst, ’t is zo’n ballast,
’t leven kan heus zonder
alleen openheid geeft houvast
en is veel gezonder

Schuldvraag


Schoorvoetend ben ik doorgelopen
daar waar jij bleef staan
stil ben ik blijven hopen
dat je toch verder mee zou gaan

maar toen ik achterom keek
zag ik dat jij je omkeerde
dat je mijn blik ontweek
alsof mijn liefde je bezeerde

en ik ben bedroefd doorgegaan
zonder nogmaals om te zien
heel in de verte bleef jij staan.
Kom je nog eens, misschien?