Blue gospelsonnet


Droefheid kent de wereld meer dan genoeg
door rampen, ongelukken of oorlogen
catastrofes, mensen die tegen elkaar betogen
of hun verdriet verdrinken in de kroeg

zich voortslepen met pijn in hun ogen
soms nog maar één uitweg meer zien
vluchten naar zijde door niemand voorzien
of klemmen aan strohalm in onvermogen.

Maar zon schijnt ook op droeve aarde
en zal ook weer natte gronden drogen
warmte geeft leven weer nieuwe waarde

vijanden eens naar vrienden omgebogen
kunnen slechts winnen in eigenwaarde
dan ziet men dat de hoop niet is vervlogen.

Een fluitje van een cent


Fluitend loop ik vrolijk door het morgenlicht
geen zorgen van deze dag nog dragen
wil ook niet om moeilijkheden vragen
maar alleen nog denken aan een nieuw gedicht

zomaar een liedje om vrolijk op te fluiten
waar iedereen vrolijk van wordt en om lacht
dat door de wereld klinkt hard of dan weer zacht
men op danst binnen dan wel ergens buiten

misschien lijkt dan alles veel minder troosteloos
komt zelfs de zon veel vaker door de wolken
en staan gezichten niet meer zo zuur of boos

zullen we eindelijk eens vriendschap vertolken
letten we wie-weet niet meer zo op de duiten
lopen door de straat weer vrolijk te fluiten.

Alleen voor mijn muze

Met welke woorden zal ik mijn muze voeden
Waarmee is haar schoonheid ten volle uitgebeeld
En kan ik haar tegen droefenis behoeden
Haar temperament en ijdelheid gestreeld

Ik wil haar stralende lach voor mij steeds winnen
Haar melodieuze zang in ritme en rijm
En dag en nacht wil ik haar vurig beminnen
Van heel mijn liefde voor haar maak ik geen geheim

Eens zal ik heel de nacht met mijn muze dansen
Het leven vieren met vrolijke zang en lach
Geen mens komt tussen ons of krijgt de kansen
Ik geef haar nooit gewonnen zonder stoot of slag

Nee, van mijn muze laat ik mij nooit scheiden
Voor haar behoud blijf ik mijn leven lang strijden

Afrika


Blauwe nevels sieren gindse einder
bergen rijzen op als een watermuur
gele golven over dorre savanne
bijna geen leven tijdens ’t middag uur

recht boven staat daar in al zijn glorie
de niets ontziende brandende zon
men kent niet anders ’t is de historie
van klimaat waar niemand ontwikkelen kon

maar geen klimaat van weersomstandigheden
heeft daar de vooruitgang zo beperkt
reeds eeuwen heeft dit werelddeel geleden

nog gelooft men dat echte hulp niet werkt
men noemt Afrika het verloren werelddeel
alleen de gedachte al vliegt mij naar de keel.

Een zee van vrede


Golven ruisen als komen en gaan van tijd
of als gedachte rusteloos door dagen
die zwaar het water naar de branding dragen
en over lange gerekte kust verspreidt.

En in tijden van een onzeker vragen
hoe het in de toekomst ooit verder zal gaan
breekt plotseling behaaglijk windstilte aan
leren wij elkaar in liefde verdragen.

Ik bid dat dit alle tijden door mag gaan
vrede, vriendschap naar goddelijk behagen
een wereld zoals bij de schepping bedoelt

waar elk voor ieder in de branding wil staan
is het paradijs waar vrede wordt gedragen
daar zal geen angst of pijn meer worden gevoeld

Bloem


Hoe weer of tempratuur dit seizoen zal wezen
men zal bij het zien van deze schone bloem
niet tanen om macht eer rijkdom of roem
dat heeft reeds menig verliefd lentehart bewezen

bloem in de kleuren van liefde en hartstocht
uw vormen warm en zo verleidelijk schoon
ontsproot toch uit aarde zo eenvoudig gewoon
ik prijs de dag dat ik u ontwaren mocht

bloem zo wonderbaarlijk breekbaar en teer
zo sterk toch zelfverzekerd trots en bewust
in wanhoop kniel ik aanbiddend voor u neer

slechts als u mij uw hand reikt ben ik pas gerust
zolang heb ik u ten huwelijk willen vragen
met plezier u over de drempel te dragen.

Andere seizoenen


Een schoon rein landschap
maar zo vreselijk stil
je hoort slechts je eigen voetstap
mooi als je niet anders horen wil
maar de vogels hoor ik nu niet
’t gefluit van de rietgors
uitbundig baltsen van de bonte-piet
zachte toon van de geelgors.

Ik verlang weer naar die geluiden
en naar iets meer kleur in de natuur
naar de bloemen die er op duiden
dat er lente komt schoon en puur
en de zon dan weer gaat stralen
eerst zacht en strelend mild
want van de kou begin ik nu te balen
en van die loopneus word ik WILD!!

Soezen


De bries streelt het riet langs kabbelend water
op het ruime meer bollen witte zeilen
in de zon een waar genot te verwijlen
horend vogelzang en eendengesnater

langzaam verspreidt geur van eerst gemaaide gras
langs blauwe hemel drijven wolkenvelden
zo een heerlijke rust beleeft men zelden
doet mij dromen van tijd zo het vroeger was

ik hoor weer het lachen van een spelend kind
dat nog vrij van zorgen door de velden gaat
in alles zijn klein geluk en vrede vindt

ik zie nog de molen die aan de einder staat
door de stilte hoor ik nog het carillon
vanuit de stad ginds aan de horizon.

Na ons afscheid


Eens als ons afscheid lang zal zijn
en van ’t weerzien wij niet weten
dagen vervult van weemoed en pijn
tijd in angst en zorg versleten
zal dan onze liefde hoogtij vieren
weten we dat toch de tijden keren
dat wij elkaar met bloemen sieren
in die tuin van paradijselijke sferen

leven zal daar opnieuw beginnen
daar in die wonderschone stad
daar zal ieder in liefde beminnen
die hij op aarde niet heeft liefgehad
klinkt die heerlijke engelenzang
in lof en aanbidding geweven
voedt geluk en vrede eeuwenlang
dankbaar en vreugdvol eeuwig leven.

Waar ik het liefste zou zijn


Waar ik het liefst zou zijn, Heer,
is eigenlijk voor mij geen vraag.
Als ik mij tot Uw liefde keer,
de plaats waar ik geen zorg draag.
Die plek, de mooiste in mijn hart,
waart mij vrij van elke smart.

Waar ik het liefst zou zijn, Heer,
er is hier geen ene plek op aard,
waar ik Uw liefde beter leer,
gedachten aan Uw lijden bewaard,
waar ik voor eeuwig wens te zijn,
verlost van ellende en pijn.

Maar eens zal ik daar zijn, Heer,
aan Uw voeten voor Uw troon,
keer ik tot Uw oorsprong weer,
door de Geest mij zo gewoon.
Laat toch nog in Uw schepping,
mij nog éven wachten , Heer.