Keren


Het was het reizen naar de verte
Gewoon een vlucht als met vogelzang
De tijd die mij noch riep
Noch tot in de lengte strekte
Was in mijn jeugd van enig belang

Ik had mijn nest verlaten
Gevlogen met de wind in de rug
Kwam ik niet verder dan de verre zee

Daar was de tijd om te keren
Door branding en felle tegenwind
Zag nog aan de einder palmbomen
En de zon ter kimme gaan.

Oogappel van mijn hart


Zij is zo oogverblindend schoon
als een blanke lelie in het veld
mooier is haar glans als zirkoon
elke moment sta ik van haar versteld.

Als appelboom wil ik voor haar zijn
tussen de bomen in het bos
mijn vrucht zal haar smaken als wijn
als wij daar neerliggen in het mos.

Most van mijn vrucht zal haar sterken
zodat geen ziekte of pijn haar treft
mijn liefde en hartstocht zal zij bemerken
als zij haar liefdevolle blik naar mij heft.

Als een gazelle wil ik tot haar komen,
een jong hert, springend door berg en dal,
zolang heb ik van haar lopen dromen
waar ik ooit mijn lief eens vinden zal.

Sta op mijn mooiste, mijn beminde,
geniet van warme zonnestraal
luister naar koeren in de tamarinde
deze zomer is een warm onthaal.

Ze is als een lelie zo schoon is haar figuur
haar haren glanzend en zacht als fluweel
de blik uit haar ogen zo lieflijk en puur
de oogappel van mijn hart is zij geheel.